Willens & Weetjes: Medebezitter paard aansprakelijk voor schade?

Een man stelt zijn echtgenote (en haar koetsiersverzekeraar) als medebezitter aansprakelijk voor de gevolgen van een ongeval met een paard. De Hoge Raad bevestigt het arrest van het hof waarin het hof oordeelde dat de man, als slachtoffer van een ongeval met een paard (met de naam Imagine), zijn echtgenote niet als medebezitter kon aanspreken.

Dit is een volgend arrest in de ‘hangmatjurisprudentie’.* In het Hangmat-arrest (HR 8 oktober 2010, NJ 2011,465) oordeelde de Hoge Raad dat een medebezitter van een opstal op grond van art. 6:174 BW aansprakelijk kan worden gehouden voor de schade die een andere medebezitter als gevolg van een gebrek lijdt.

In het Imagine-arrest (HR 29 januari 2016, NJ 2016,173) oordeelde de Hoge Raad dat een medebezitter van een paard niet door de andere medebezitter kan worden aangesproken. Meer dan bij opstallen is de medebezitter van een dier zelf ook medeverantwoordelijk voor het scheppen/handhaven van het risico dat het dier met zich mee brengt. 

Anders dan in de casus die tot het Imagine-arrest leidde, was de echtgenote de enige met koetsiersbewijs en de enige verzekerde onder de koetsiersverzekering. Dit maakte de zaak volgens het hof, en nu dus ook volgens de Hoge Raad, niet anders. Het zou slechts anders zijn als de echtgenote zelf een fout had gemaakt.
Het onderhavige arrest van de Hoge Raad is aldus in lijn met het eerder door hem gewezen Imagine-arrest over de aansprakelijkheid van medebezitters op grond van art. 6:179 BW. 

Klik hier voor de uitspraak.

* Mevrouw A had in de tuin bij haar huis een hangmat opgehangen aan een gemetselde pilaar. Toen zij in de hangmat lag, is de pilaar kort boven de grond afgebroken en over haar heen gevallen. Hierbij liep zij een hoge complete dwarslaesie op. Verder brak zij haar kaak, neus, jukbeen, oogkas en een rib. Zij heeft na het ongeval tien weken op de IC-afdeling van het ziekenhuis gelegen en aansluitend gedurende tien maanden een revalidatietraject doorlopen. Mevrouw A zal door het ongeval haar armen en benen nooit meer kunnen gebruiken. Zij is voor de rest van haar leven rolstoelgebonden en volledig afhankelijk van de hulp van derden.

De Hoge Raad heeft in 2010 als volgt geoordeeld: Redelijke wetstoepassing brengt mee dat de benadeelde medebezitter zelf dat gedeelte van de door hem geleden schade draagt dat overeenkomt met zijn aandeel in de opstal, zodat hij op grond van artikel 6:174 BW in zoverre geen aanspraak heeft op schadevergoeding jegens de andere medebezitter(s). Gelet daarop heeft de Rechtbank met juistheid geoordeeld dat de heer B als (enige) medebezitter jegens mevrouw A aansprakelijk is tot maximaal 50% van de schade.
 

Bron: Kennedy Van der Laan
Geplaatst op 03-03-2020


Share on: