Voor welke kosten van schadebeperkende maatregelen draait NAM op?

Het aardbevingsdossier van Groningen is een lastig dossier. Niet alleen op persoonlijk vlak (bij uitstek voor de Groningers, uiteraard) en op politiek niveau, maar óók juridisch. Dit blijkt onder meer wanneer bij het bouwen in het aardbevingsgebied maatregelen worden getroffen ter voorkoming/beperking van aardbevingsschade aan bestaande bouw en nieuwbouw.

De kosten daarvan kunnen van de exploitant van het mijnbouwwerk (hier: NAM) worden gevorderd op basis van artikel 6:184 BW. Dat artikel bepaalt kort gezegd dat kosten van schadebeperkende maatregelen voor vergoeding in aanmerking kunnen komen. Maar hoe werkt de toets van dit wetsartikel? Het hof Arnhem-Leeuwarden heeft zich recent over die vraag gebogen.


Achtergrond 
In deze kwestie ging het om een geschil tussen de eigenaar van een hobbyboerderij gelegen in het aardbevingsgebied en de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM). Die boerderij had schade als gevolg van een aardbeving. De herstelkosten werden geschat op zo’n 18.000 euro. Om het risico op toekomstige schade te minimaliseren, wilde de hobbyboer een betonplaat onder de fundering langs en onder het hele gebouw laten plaatsen voor een bedrag van 105.255 euro. Hij vorderde de kosten van die maatregelen op grond van artikel 6:184 BW.


Juridisch kader
Juridisch gezien kunnen kosten van schadebeperkende maatregelen worden gevorderd op grond van artikel 6:184 BW. In de literatuur wordt bij de toets van de aansprakelijkheid voor dergelijke kosten steeds uitgegaan van een drietal vereisten:

  1. De maatregelen moeten in causaal verband staan tot de te beperken schade;

  2. de maatregelen dienen naar hun aard redelijk te zijn;

  3. de kosten moeten in hun omvang redelijk zijn.

Die laatste twee vereisten staan bekend als de ‘dubbele redelijkheidstoets’. In de literatuur worden de drie vereisten van artikel 6:184 BW over het algemeen gezien als een soort optelsom. De drie vereisten worden los van elkaar afgegaan om zo de aansprakelijkheid te beoordelen – een optelsom van alleen die drie vereisten. Maar klopt dat wel?


Vonnis rechtbank
Rechtbank Noord-Nederland vond van niet (ECLI:NL:RBNNE:2016:5609). Toen die rechtbank zich boog over het geschil tussen de hobbyboer en NAM, merkte zij op dat het bij de toets van artikel 6:184 BW juist verder gaat dan een ‘financiële inkleuring’. De rechtbank oordeelde dat álle omstandigheden van het geval meespelen. Dat zou dus ook de overlast kunnen zijn die een benadeelde ervaart door de opstelling van NAM in het schaderegelingsproces. In dit specifieke geval kwam de rechtbank tot het oordeel dat NAM níet aansprakelijk was voor de gevorderde kosten. Dat deskundigen de hobbyboer hadden verteld de maatregel redelijk te vinden, vond de rechtbank niet genoeg. Zéker niet, omdat de schade ‘maar’ zo’n € 18.000,- bedroeg en de maatregelen om herhaling van schade te minimaliseren € 105.225,- zouden zijn.


Arrest hof
De hobbyboer liet het er niet bij zitten, ging in hoger beroep en zo kwam dit geschil voor het hof (ECLI:NL:GHARL:2019:5849). De boerderij was inmiddels afgebroken en nu vorderde de hobbyboer (onder meer) de nieuwbouwkosten. Daarvan zou een bedrag van €332.539,44 voor rekening van NAM moeten komen conform artikel 6:184 BW. In de beoordeling verwees het hof ten aanzien van de toets van artikel 6:184 BW naar de overwegingen van de rechtbank: het gaat inderdaad verder dan alleen om een financiële inkleuring. De herhaalde confrontatie met schade en overlast in de schadebehandeling daarvan tellen inderdaad mee. Volgens het hof gaat het “erom of de te treffen maatregel in het licht van alle omstandigheden redelijk is.” Daarbij wijst het hof op verschillende factoren, zoals onder andere: de aard en ernst van de dreiging; de effectiviteit van de maatregel en de vraag of er een goedkoper alternatief is. Overigens heeft het hof bij een tussenuitspraak van 22 oktober 2019 (ECLI:NL:GHARL:2019:8773) een deskundigenonderzoek gelast. We zullen dus nog even moeten afwachten wat het uiteindelijke oordeel in hoger beroep zal zijn.


Commentaar
De overwegingen van het hof kan ik alleen maar beamen. Dat alle omstandigheden van het geval dienen te worden meegewogen, heb ik namelijk al eerder betoogd in een artikel dat is gepubliceerd in het Tijdschrift voor Energierecht. Ik heb het indertijd beschikbare vonnis van de rechtbank aangehaald en betoogd dat ‘de multifactoriële benadering’ van artikel 6:98 BW van toepassing is op de toets van artikel 6:184 BW. Dat betekent dat bij de toets of bepaalde schadeposten op basis van redelijkheid aan (in dit geval) NAM kunnen worden toegerekend, álle omstandigheden dienen te worden meegewogen. Het gaat dan bij de toets van artikel 6:184 BW niet om een optelsom van de drie vereisten (causaliteit en dubbele redelijkheid), maar om een afweging tussen die vereisten en de andere omstandigheden van het geval. Zoals het hof dus ook heeft geoordeeld. Mijn visie is dat bij die multi-factor-‘afweging’ of ‘benadering’ een soort samenspel ontstaat tussen de verschillende factoren. Zo zullen relatief hoge kosten bij een acuut veiligheidsrisico redelijk kunnen zijn, terwijl zij dat in een minder acute situatie niet zijn. Is het nemen van maatregelen minder urgent, dan is er meer ruimte om te onderzoeken of er goedkopere alternatieven voorhanden zijn.


Het eindoordeel van het hof (en misschien zelfs nog van de Hoge Raad) zullen we moeten afwachten, maar voor nu zijn de overwegingen van het hof over de toets van artikel 6:184 BW zeker iets om rekening mee te houden.


Auteur
Na twee jaar ervaring op te hebben gedaan bij Zurich Insurance plc., is Dagmar Linstra sinds begin 2020 werkzaam bij Van Traa Advocaten binnen de praktijkgroep Verzekering & Aansprakelijkheid. 
 

 
 
 

Bron: Dagmar Linstra - Van Traa Advocaten
Geplaatst op 06-02-2020


Share on: