Kennedy Van der Laan over verjaring: wacht niet op de deskundige

Wanneer vangt de korte verjaringstermijn aan bij een ondeskundige benadeelde? Deze procedure betreft een opdrachtgever die in 2009 een ontwerpbureau heeft ingeschakeld voor het ontwerp van een loods, alsook een bouwkundig adviseur voor de statische berekeningen. Na oplevering in 2010 ontstaan op enig moment problemen met de constructie. Kennedy Van der Laan gaat in op deze casus.

Op 28 januari 2019 heeft opdrachtgever de bouwkundig adviseur aansprakelijk gesteld voor de schade die het gevolg is van de gemaakte fouten in de berekeningen. Het hof heeft geoordeeld dat deze vordering op grond van artikel 3:310 BW is verjaard. In de loop van 2013, uiterlijk op 1 januari 2014, beschikte de opdrachtgever over voldoende zekerheid dat sprake was van schade en dat de bouwkundig adviseur de aansprakelijke persoon voor deze schade was. 

Opdrachtgever voert in cassatie aan dat hij in 2012 en in 2013 niet de kennis en/of het inzicht zou hebben gehad om te kunnen beoordelen of de geleverde bouwkundige prestaties deugdelijk waren. Die kennis zou hij pas hebben gehad na kennisname van het rapport van een deskundige van 19 december 2014. De Hoge Raad gaat hier niet in mee en overweegt daarbij – verkort weergegeven – het volgende. 

Als een benadeelde niet beschikt over de kennis of het inzicht die nodig zijn om de deugdelijkheid van een geleverde prestatie te beoordelen, kan dit betekenen dat hij nog onvoldoende zekerheid heeft verkregen dat de schade is veroorzaakt door tekortschietend of foutief handelen van de betrokken persoon. Hierbij kan van belang zijn dat de benadeelde in zijn verhouding tot de aangesprokene mocht vertrouwen op diens deskundigheid. Ook kan van belang zijn dat de aangesproken partij andere oorzaken voor het nadeel geeft of anderszins een geruststellende mededeling heeft gedaan.

De omstandigheid dat de opdrachtgever geen bouwkundige is doet er niet aan af dat hij in 2013 – toen de schade aan de loods steeds duidelijker waarneembaar werd en de opdrachtgever niet meer op eventuele geruststellende mededelingen van de bouwkundig adviseur mocht vertrouwen – voldoende zekerheid had verkregen dat de schade (mede) was veroorzaakt door tekortschietend of foutief handelen van de bouwkundig adviseur. Ook omdat het bouwkundig ontwerpbureau in 2012 al te kennen had gegeven dat de adviseur voor de schade verantwoordelijk was.

Het enkele feit dat opdrachtgever ondeskundig is rechtvaardigt dus niet zonder meer de conclusie dat hij onvoldoende zekerheid kan verkrijgen over de deugdelijkheid van de prestaties.

Kortom: een benadeelde die, ook al is hij zelf niet deskundig, op grond van de feiten een duidelijk vermoeden kan hebben dat zijn schade is te wijten aan een fout van een bepaalde partij, doet er verstandig aan om met het stuiten van de verjaring niet te wachten tot een deskundige dit vermoeden bevestigt.

Klik hier voor de uitspraak: https://uitspraken.rechtspraak

Geplaatst op 09-05-2023

< VorigeVolgende >


Share on: