Hoe zit het met de schaarse arbeidsmarkt en gevolgen afbouw steun

De laatste lockdown beperkte de schade voor consumptieve bestedingen en de arbeidsmarktkrapte in het vierde kwartaal van 2021 was op het hoogste niveau sinds decennia, maar is dit echt schaarste? En hoe zit het met dit lage faillissementsniveau. Senior econoom Nora Nooteboom en economen Piet Rietman en Jan-Paul van de Kerke bij de ABN AMRO vertellen hier meer over.

Foto: Nora Neuteboom Senior Econoom bij ABN AMRO

Laatste lockdown beperkte schade voor consumptieve bestedingen
Nora Neuteboom: "Vorige week dinsdag kwam het CBS met de eerste berekening van het bruto binnenlands product (bbp) voor het vierde kwartaal van 2021. De economie groeide met 0,9% ten opzichte van een kwartaal eerder. Consumenten besteedden 0,1% minder dan het kwartaal ervoor. Dat is opvallend, omdat Nederland halverwege december in lockdown ging. Dat was ook het geval in het jaar ervoor - in december 2020 ging Nederland ook op slot - en destijds namen de consumptieve bestedingen maar liefst 1,4% af in het vierde kwartaal ten opzichte van een kwartaal eerder. Dat suggereert dat de laatste lockdown minder economische schade heeft aangericht.


Hier zijn verschillende redenen voor aan te wijzen. Ten eerste begon de lockdown in december 2020 eerder dan in december 2021. In oktober 2020 ging alle horeca al dicht, terwijl dit in 2021 pas halverwege december was. Ten tweede leren bedrijven ook beter met lockdowns om te gaan en vinden ze andere manieren om hun producten of diensten toch af te afzetten, bijvoorbeeld door (gedeeltelijk) online te gaan. Ten derde is naar alle waarschijnlijkheid ook de ‘angst’ voor het virus bij consumenten afgenomen. Nu veel mensen zijn gevaccineerd en er een relatief ‘milde’ variant rondgaat, zijn consumenten minder bang om (fysieke) uitgaven te doen. Uitgaven die bijvoorbeeld wel mochten, zoals winkelen op afspraak en naar de fysio, werden daardoor wel gedaan. In de ABN AMRO-transactiedata zien we dat met name terug bij de uitgaven van ouderen. Als laatste reden kan de relatief krappe arbeidsmarkt worden aangehaald. In 2020 was de arbeidsmarkt nog veel ruimer dan nu, waardoor mensen zekerder zijn over hun (toekomstige)
inkomen en hun consumptie omhoog schroeven."


Is arbeid echt schaars?
Piet Rietman: "De arbeidsmarktkrapte zat in het vierde kwartaal van 2021 op het hoogste niveau in decennia, zo blijkt uit deze week gepubliceerde CBS-cijfers. Het CBS meet krapte als het aantal vacatures per 100 werklozen; 105 in het vierde kwartaal. Er waren meer vacatures en meer banen dan ooit. Ook als we de krapte anders meten dan het CBS – bijvoorbeeld aantal vacatures versus aantal werkzoekenden, of het percentage vacatures dat onvervulbaar is – zit de krapte op een historisch hoog niveau.

Arbeidsmarktkrapte is een probleem voor werkgevers en kan een belemmering voor de economische groei zijn. Daar staat tegenover dat het kansen biedt voor werknemers en werkzoekenden. De toegenomen vraag naar arbeid vertaalt zich echter niet snel in een stijgende cao-loongroei. De cao-loongroei was 1,8% vorig jaar en waarschijnlijk zo’n 2,2% vorig jaar: geen forse toename. Loonrigiditeit kan voor vertraging zorgen: doordat de meeste cao’s voor één of twee jaar gelden, wordt arbeidsmarktkrapte niet meteen zichtbaar in de loongroei van hetzelfde kwartaal. Een andere verklaring kan de zwakker wordende collectieve onderhandelingspositie van werknemers zijn.


Een mogelijke verklaring is ook het gebrek aan arbeidsmarktdynamiek. Het werkloosheidpercentage daalt niet alleen doordat nieuwe groepen mensen werk zoeken en/of vinden. Het aantal mensen dat werkloos wordt of geen werk meer zoekt is in de nasleep van de coronasteunpakketten nog altijd laag. De NOW-steun en de Tozo voorkwamen dat bijna 20 procent van de beroepsbevolking geen werk meer had. Deze miljoenen werkenden bleven zitten waar ze zaten. De arbeidsmarktdynamiek begint weliswaar weer op gang te komen, maar is nog altijd zwak.

De combinatie van arbeidsmarktkrapte én zwakke arbeidsmarktdynamiek roept als hypothese op: nieuwe werknemers zijn schaars, maar zittende werknemers niet.


Die hypothese verklaart niet alleen de zwakke cao-loongroei (het belangrijkste middel om zittende werknemers te behouden), maar ook de populariteit van middelen waarmee nieuwe werknemers gebonden worden. Uit onze transactiedata leiden wij bijvoorbeeld af dat het incidenteel loon stijgt – dat zou kunnen komen doordat nieuwe werknemers betere startsalarissen uitonderhandelen. Ook kan het zo zijn dat, net als in 2017-2019, nieuwe mensen vaker een vast contract krijgen. Het aantal vaste contracten steeg in het vierde kwartaal. Zoals het CBS signaleert is dat een goed middel om mensen te binden: in een krappe arbeidsmarkt is werknemers voor langere tijd binden een kleiner financieel risico."


Afbouw steun leidt tot meer faillissementen, hoeveel meer nog onduidelijk
Vorige week beschreef het kabinet nieuwe doelstellingen voor het coronabeleid waarin het openhouden van de samenleving centraal komt te staan.

Dit heeft ook gevolgen voor de steunmaatregelen. Welke gevolgen precies is op dit moment nog onduidelijk. Samen met de uitgewerkte coronastrategie wordt in maart van dit jaar het nieuwe steunmaatregelenbeleid gepresenteerd. Voor een tipje van de sluier kunnen we al terecht in eerdere kamerbrieven.

In december zijn in een kamerbrief twee elementen genoemd waar een toekomstbestendig beleid voor steun aan moet voldoen. Er moet oog zijn voor de gevolgen van generieke steun voor de economische dynamiek en er komt een nieuwe visie op ondernemersrisico in een wereld waarin corona blijvend is.


De precieze invulling van dit beleid is nog onduidelijk, maar uit deze twee elementen kunnen we afleiden dat generieke steun afgebouwd gaat worden. De afgelopen twee jaar met generieke steun hebben ons geleerd dat generieke steun niet samengaat met bedrijfsdynamiek noch banendynamiek.


Wat betekent dit voor faillissementen? Het huidige lage faillissementsniveau laat slechts een richting over: omhoog. Na afbouw van de steun eind maart lopen de faillissementen op. Wat kunnen we zeggen over de snelheid waarmee dit gebeurt en over hoeveel faillissementen er in het verschiet liggen?


In 2021 hebben we een maand gehad zonder steun. De zese NOW-ronde liep tot en met september en de zevende NOW-ronde werd in december met terugwerkende kracht ingesteld vanaf november. Oktober bleef zonder steun achter. In november hebben we het hoogste faillissementsniveau van 2021 gezien. Voor een faillissement is een uitspraak van de rechter nodig. Er is dus enige vertraging tussen de verslechtering van de bedrijfssituatie en het faillissementscijfer. Het is dus hoogstwaarschijnlijk dat de afwezigheid van steun in oktober de oploop van faillissementen in november heeft veroorzaakt. Hierdoor weten we dat de vertraging na afbouwen van steun ongeveer een maand zal zijn.


Bovendien was de stijging in november vooral te zien in de horeca en in de sector cultuur, sport en recreatie. Sectoren die direct met contactbeperkende maatregelen in aanraking kwamen en waar vooral de horeca volgens de laatste informatie van het CBS nog grootverbruiker is van de NOW. Het is onduidelijk hoe groot de toename van faillissementen precies zal zijn. Wel wijzen de cijfers van oktober er op dat ‘getroffen’ sectoren oververtegenwoordigd zijn wanneer de steun wegvalt.

Bron: ABN AMRO - Senior econoom Nora Nooteboom en economen Piet Rietman en Jan-Paul van de Kerke
Geplaatst op 22-02-2022


Share on: