Nederlandse huishoudens beperkt financieel weerbaar bij crisis

De coronacrisis stelt de financiële weerbaarheid van Nederlandse huishoudens behoorlijk op de proef. De helft van de Nederlandse huishoudens houdt volgens de Nibud-normen te weinig buffers aan, blijkt uit onderzoek van de AFM.

Een doorsnee huishouden heeft maar 2.000 euro om een inkomensterugval op te vangen, zonder in te teren op het spaarpotje voor tegenvallers. Jongeren, flexwerkers en zelfstandigen zijn nog kwetsbaarder. Dat blijkt uit onderzoek van de Autoriteit Financiële Markten (AFM) naar de buffers van Nederlandse huishoudens om een plotse daling van het inkomen te kunnen ‘uitzingen’.


In het kort 

  • Overheidsingrijpen biedt slechts tijdelijk verlichting;
  • Veel huishoudens hebben te weinig geld achter de hand;
  • Jongeren, flexwerkers en zelfstandigen extra kwetsbaar;
  • Lage buffers creëren nieuwe financiële risico’s;
  • Crisis legt bestaande maatschappelijke kwetsbaarheden bloot.


De duur en diepte van de coronacrisis zijn nog ongewis, maar de voorspellingen zijn somber. De overheid heeft met overbruggingsregelingen weliswaar tijdelijk verlichting geboden. Vroeg of laat doet de recessie zich echter voelen op de arbeidsmarkt en komt het aan op de financiële weerbaarheid van huishoudens. Wanneer zij hun noodzakelijke lasten niet meer kunnen dragen, ontstaan er ook risico’s die het toezicht van de AFM raken.


Er zijn grote verschillen tussen hoeveel geld (bank-, spaar- en belegtegoeden) huishoudens achter de hand hebben om een inkomensdaling op te vangen. Ruim 20% van de huishoudens heeft minder dan €2.500 opzij gezet, terwijl 2-4% meer dan €250.000 tot zijn beschikking heeft. Het Nibud adviseert een buffer voor onvoorziene uitgaven (zoals de vervanging van een wasmachine of auto). Na aftrek van die buffer heeft een doorsnee huishouden slechts €2.000 achter de hand. Dat betekent dat veel Nederlanders een inkomensterugval door verlies van werk beperkt kunnen opvangen en al snel in de knel kunnen komen met hun vaste maandlasten.


Huishoudens zijn gemiddeld iets meer dan de helft van hun maandinkomen kwijt aan vaste lasten. Voor eenoudergezinnen, huishoudens met een hoofdkostwinner jonger dan 35 jaar, lage-inkomensgroepen en flexwerkers loopt dat op van tweederde tot driekwart van hun inkomen. Dit maakt jongeren en flexwerkers drievoudig kwetsbaar voor een crisis. Ze lopen een groter risico op werkloosheid, zijn kwetsbaarder vanwege hun relatief hoge vaste lasten én hebben vervolgens amper geld achter de hand om op terug te vallen. Ook zelfstandig ondernemers zijn kwetsbaarder. Hoewel hun buffers over het algemeen hoger zijn, is bij verlies aan opdrachtgevers de inkomensterugval (naar bijstand) veel ingrijpender.


Financiële problemen die ontstaan door de coronacrisis kunnen weliswaar door de financiële sector verlicht worden door bijvoorbeeld een betaalpauze of een nieuw aflossingsschema. Maar in veel gevallen worden de problemen daarmee niet opgelost. Het op korte termijn terugdringen van vaste lasten kan ook nieuwe financiële risico’s op lange termijn veroorzaken. Denk aan het opzeggen van verzekeringen of het verkleinen van derde-pijlerpensioeninleg door zelfstandigen. Bovendien is er het risico dat als bestaande kredietlijnen opdrogen (onder andere door strenge kredietacceptatie) er een waterbed-effect ontstaat richting illegale of niet-gereguleerde ‘kredieten’ zoals operational/private lease.

 

Veel van de huishoudens die het eerst en het hardst worden geraakt door deze crisis, waren daarvoor al relatief kwetsbaar. Zo hebben zelfstandigen minder inkomenszekerheid en gaan zij bij verlies aan opdrachtgevers (mits gerechtigd) direct naar de bijstand. Daarnaast zijn huurders op de korte termijn doorgaans minder financieel wendbaar dan huiseigenaren. Ongeveer de helft van de huurders is meer dan 20% van zijn bruto-inkomen kwijt aan woonlasten. Onder kopers is dat één op de tien huishoudens.

Geplaatst op 09-07-2020


Share on: