Particulier onderzoek in de letselschadebranche
De reikwijdte van de Wet Particuliere Recherche- en Beveiligingsbureaus (hierna: Wpbr), houdt de gemoederen in de (letsel)schadebranche bezig.
Door Jasmijn Mekers, eigenaar/directeur Nova QuestaTijd voor duidelijkheid, erkenning en kwaliteitsborging
Het NIVRE publiceerde in oktober 2025 een artikel op haar website, waarin zij schreef dat de Wpbr vragen oproept binnen de schadebranche. In het artikel worden vooral veel zorgen geuit. Toch zie ik voornamelijk kansen. Kansen om de kwaliteit van toedrachtonderzoek te versterken, om verantwoordelijkheden helder te scheiden en om een vakgebied dat nu vaak een bijproduct lijkt, de professionele erkenning te geven die het verdient.
Het NIVRE publiceerde in oktober 2025 een artikel op haar website, waarin zij schreef dat de Wpbr vragen oproept binnen de schadebranche. In het artikel worden vooral veel zorgen geuit. Toch zie ik voornamelijk kansen. Kansen om de kwaliteit van toedrachtonderzoek te versterken, om verantwoordelijkheden helder te scheiden en om een vakgebied dat nu vaak een bijproduct lijkt, de professionele erkenning te geven die het verdient.
De WPBR: Niets nieuws, maar wél een actuele discussie
De Wpbr bepaalt dat het vergaren en analyseren van gegevens wordt aangemerkt als recherchewerk (art. 1 lid 1 sub e). Een natuurlijke of rechtspersoon die dergelijke werkzaamheden beroepsmatig, met winstoogmerk en op verzoek van een derde uitvoert, gericht op natuurlijke personen, kwalificeert volgens de Wpbr als recherchebureau (art. 1 lid 1 sub f).
Voor deze werkzaamheden geldt een vergunningplicht (art. 2 lid 1). Het zonder vergunning verrichten of aanbieden van recherchewerkzaamheden is bovendien strafbaar. Met de invoering van de Wpbr heeft de overheid regels gesteld op het vlak van bekwaamheid en betrouwbaarheid, om zo de kwaliteit, betrouwbaarheid en integriteit in de particuliere veiligheidssector te garanderen.
Voor deze werkzaamheden geldt een vergunningplicht (art. 2 lid 1). Het zonder vergunning verrichten of aanbieden van recherchewerkzaamheden is bovendien strafbaar. Met de invoering van de Wpbr heeft de overheid regels gesteld op het vlak van bekwaamheid en betrouwbaarheid, om zo de kwaliteit, betrouwbaarheid en integriteit in de particuliere veiligheidssector te garanderen.
Opvallend genoeg, is dit niets nieuws. De Wpbr bestaat al sinds 1997 en hoewel er in de loop der jaren één en ander is aangepast in de wet, zijn de definities zoals hierboven geschetst, nooit substantieel gewijzigd. Waarom roept deze dan juist nu vragen op? Mogelijk komt dat door de focus op kwaliteit en toetsing binnen de letselschadebranche; een beweging die we in 2025 ook zagen in het debat over ongereguleerde belangenbehartigers.
Hoe het ook zij: onderzoek waarin natuurlijke personen centraal staan, zoals in de letselschadepraktijk vrijwel altijd het geval is, valt mijns inziens onmiskenbaar onder het regime van de Wpbr. Het verschil met, bijvoorbeeld, (fraude)onderzoekers die werkzaam zijn op afdelingen Speciale Zaken bij verzekeraars, is eenvoudig te verklaren: zij verrichten geen onderzoek op verzoek van een derde en evenmin met winstoogmerk. Ze zijn uitsluitend werkzaam ten behoeve van de eigen onderneming. Precies deze elementen maken dat deze onderzoekers niet vergunningplichtig zijn onder de Wpbr.
Eén en ander leidt, logischerwijs, tot vragen: wat betekent de Wpbr voor werkzaamheden die traditioneel door schaderegelaars of expertisebureaus worden uitgevoerd? En hoe voorkomen we dat de kwaliteit van onderzoek onder druk komt doordat rollen en verantwoordelijkheden door elkaar
heen lopen? Het zijn vragen die niet alleen legitiem zijn, maar die wat mij betreft ook noodzakelijk zijn om als branche gezamenlijk te bespreken.
De waarde van een vergunning:Kwaliteit, integriteit en screening
De vergunningplicht op grond van de Wpbr is wat mij betreft geen administratieve last, maar een essentiële waarborgfunctie. Een recherchebureau moet voldoen aan duidelijke opleidingseisen, aan een betrouwbaarheidstoetsing en aan screening van zowel medewerkers als leidinggevenden. Dat zijn geen formaliteiten, maar randvoorwaarden die
het fundament vormen onder een zorgvuldig en juridisch verantwoord
onderzoek.
In letselschadezaken - waar feiten reconstrueerbaar moeten zijn, belangen omvangrijk zijn en betrokkenen vaak kwetsbaar - zou dit niveau van zorgvuldigheid niet de uitzondering moeten zijn, maar de norm. Het draagt niet alleen bij aan kwaliteit, maar borgt ook onafhankelijkheid en integriteit.
Daarmee voorkomt het dat belangenverstrengeling of rolvermenging een rol kan spelen in een vakgebied dat juist draait om objectieve waarheidsvinding.
Toedrachtonderzoek als ondergeschoven kindje
In mijn optiek is toedrachtonderzoek binnen de letselschadepraktijk een onderbelicht onderdeel van het totale schaderegelingsproces. Hetwordt vaak uitgevoerd door bureaus die primair andere werkzaamheden verrichten. Dat is geen waardeoordeel, maar een
constatering over de wijze waarop de branche van oudsher is ingericht.
In mijn optiek is toedrachtonderzoek binnen de letselschadepraktijk een onderbelicht onderdeel van het totale schaderegelingsproces. Hetwordt vaak uitgevoerd door bureaus die primair andere werkzaamheden verrichten. Dat is geen waardeoordeel, maar een
constatering over de wijze waarop de branche van oudsher is ingericht.
Vanuit mijn rechercheachtergrond kijk ik met een andere blik naar dit werkveld. In het recherchevak wordt gewerkt met een strikt onderzoeksproces, waarin bronverificatie, objectiviteit, zorgvuldige dossiervorming en een duidelijke scheiding tussen rollen centraal staan. Die structuur is binnen de letselschadebranche niet altijd vanzelfsprekend.
Toedrachtonderzoek en schaderegeling zijn twee duidelijk verschillende disciplines, met ieder hun eigen competenties, juridische kaders en werkwijzen. Een schaderegelaar is mijns inziens niet automatisch een onderzoeker, net zoals een onderzoeker niet automatisch een schaderegelaar is.
Het combineren van beide rollen brengt bovendien het risico van rolvermenging met zich mee, zeker nu de maatschappelijke verwachtingen omtrent kwaliteit, zorgvuldigheid en onafhankelijkheid steeds meer toenemen. Daarnaast vragen beide disciplines om voortdurende vakontwikkeling en bijscholing. Daarmee rijst de terechte vraag of professionals zich in beide vakgebieden in de breedte én in de diepte kunnen blijven ontwikkelen, zonder dat dit uiteindelijk ten koste gaat van de kwaliteit.
Het aanbieden van toedrachtonderzoek als ‘bijproduct’ zie ik dan ook als een risico. Toedrachtonderzoek vormt de feitelijke en juridische basis voor de beoordeling van aansprakelijkheid, polisdekking en verhaalsmogelijkheden. Wanneer die basis onvoldoende is, werkt dat onvermijdelijk door in het verdere verloop van het dossier, met alle gevolgen van dien voor alle betrokkenen.
Een zorgvuldig en professioneel uitgevoerd toedrachtonderzoek verdient mijns inziens daarom geen secundaire rol, maar een zelfstandige en volwaardige positie binnen het letselschadeproces.
Het belang van tijdig, grondig en zorgvuldig onderzoek
De rechtspraak onderstreept het belang van zorgvuldige feitenvaststelling. In meerdere deelgeschiluitspraken van de afgelopen jaren zien we dat verzoeken worden afgewezen omdat er onvoldoende feitelijke informatie beschikbaar is over de toedracht en omstandigheden van het ongeval, terwijl een deelgeschilprocedure zich bovendien niet leent voor
De rechtspraak onderstreept het belang van zorgvuldige feitenvaststelling. In meerdere deelgeschiluitspraken van de afgelopen jaren zien we dat verzoeken worden afgewezen omdat er onvoldoende feitelijke informatie beschikbaar is over de toedracht en omstandigheden van het ongeval, terwijl een deelgeschilprocedure zich bovendien niet leent voor
bewijslevering. Rechters benadrukken dan ook regelmatig dat partijen eerst de feiten moeten verhelderen voordat een inhoudelijke beoordeling mogelijk is.
Tijdig onderzoek kan daarbij niet alleen kostenbesparend werken, maar voorkomt ook dat cruciale informatie verloren gaat. Wanneer pas in een later stadium onderzoek wordt verricht naar de feiten en omstandigheden, is het risico groot dat herinneringen van getuigen vervagen of vertroebelen, ongevalslocaties veranderen en sporen en ander bewijsmateriaal verdwijnen.
Een zorgvuldig begin is dus geen luxe, maar een noodzakelijke investering in kwaliteit én efficiency binnen het letselschadetraject.
Borging van kwaliteit binnen de letselschadebranche
Wat mij betreft is een Wpbr-vergunning slechts een begin als het gaat om de borging van kwaliteit binnen onderzoeken in de letselschadebranche. Als we het vakgebied toedrachtonderzoek willen professionaliseren, is een duidelijke erkennings- en kwaliteitsstructuur onmisbaar. Een aparte categorie binnen het Nationaal Keurmerk Letselschade (NKL) zou daarvoor een passende en logische stap zijn. Niet omdat het werk ‘bijzonder’ is, maar omdat het anders is. Anders in methode, in juridische benadering en in eisen aan objectiviteit en transparantie.
Wat mij betreft is een Wpbr-vergunning slechts een begin als het gaat om de borging van kwaliteit binnen onderzoeken in de letselschadebranche. Als we het vakgebied toedrachtonderzoek willen professionaliseren, is een duidelijke erkennings- en kwaliteitsstructuur onmisbaar. Een aparte categorie binnen het Nationaal Keurmerk Letselschade (NKL) zou daarvoor een passende en logische stap zijn. Niet omdat het werk ‘bijzonder’ is, maar omdat het anders is. Anders in methode, in juridische benadering en in eisen aan objectiviteit en transparantie.
Een aparte categorie creëert ruimte voor specifieke kwaliteitseisen, controle op naleving en heldere kaders voor professionals, opdrachtgevers en andere betrokkenen. Daarmee kan worden voorkomen dat toedrachtonderzoek verwatert tot een taak die ‘erbij wordt gedaan’, zonder structureel toezicht op kwaliteit en zorgvuldigheid.
Kansen voor de toekomst
De discussie over de Wpbr is in mijn optiek geen bedreiging voor de letselschadebranche, maar juist een kans. Een kans om helder te definiëren wie welke rol vervult, om verder te professionaliseren en om te voorkomen dat de grenzen tussen letselschaderegeling en toedrachtonderzoek vervagen. Bovenal biedt deze discussie de mogelijkheid om een duurzaam fundament te leggen voor kwaliteit, onafhankelijkheid en transparantie binnen het gehele schadeproces.
De discussie over de Wpbr is in mijn optiek geen bedreiging voor de letselschadebranche, maar juist een kans. Een kans om helder te definiëren wie welke rol vervult, om verder te professionaliseren en om te voorkomen dat de grenzen tussen letselschaderegeling en toedrachtonderzoek vervagen. Bovenal biedt deze discussie de mogelijkheid om een duurzaam fundament te leggen voor kwaliteit, onafhankelijkheid en transparantie binnen het gehele schadeproces.
Daarvoor is sectorbrede samenwerking nodig. Het vraagt om een open gesprek tussen het NIVRE, de Letselschaderaad, expertisebureaus, verzekeraars en particuliere onderzoeksbureaus; niet om posities te verdedigen, maar om gezamenlijk te bepalen welke normen, werkwijzen en kwaliteitskaders wenselijk zijn voor de toekomst.
Het is tijd dat toedrachtonderzoek de positie krijgt die het verdient: niet als bijproduct, maar als een professioneel vakgebied met eigen standaarden en een herkenbare plek binnen de letselschadebranche. Als sector kunnen we die stap samen zetten. Helderheid begint immers bij het stellen van de juiste vragen — én bij de bereidheid om deze gezamenlijk te beantwoorden.
Geplaatst op 09-07-2026
Share on:
