Wetsvoorstel 'vergoeding affectieschade' komt door Eerste Kamer

De Eerste Kamer heeft vandaag een wetsvoorstel van minister Dekker (voor Rechtsbescherming) aangenomen dat de vergoeding van affectieschade regelt. In een eerdere poging kwam het wetsvoorstel niet door de Senaat.

'Dit is een vorm van smartengeld voor naasten van slachtoffers die door een fout van een ander zijn overleden, of ernstig of blijvend letsel hebben. Een vergoeding voor dierbaren die verdriet hebben en met wie het slachtoffer zijn leven deelde', zo omschrijft het ministerie de vergoeding van affectieschade in een persbericht over het aangenomen wetsvoorstel.

Een kind wordt bijvoorbeeld aangereden en blijft levenslang ernstig gehandicapt. Of een partner komt te overlijden door een medische fout. Ook een geweldsmisdrijf kan de oorzaak zijn. Bijvoorbeeld een vader die wordt beroofd en neergeschoten, waarna zijn partner en kinderen alleen achterblijven. ‘Vergoeding van affectieschade kan het leed van naasten van slachtoffers niet wegnemen, maar wel erkenning en genoegdoening bieden en helpen bij de verwerking’, aldus minister Dekker. ‘Het gaat om de erkenning van het verdriet van personen van wie het leven volledig op de kop staat door een fout van iemand anders.’
 
Alleen de partner van het slachtoffer, zijn kinderen en ouders komen in aanmerking voor een vergoeding van affectieschade. Het is een regeling met vaste bedragen tussen de 12.500 en 20.000 euro, te betalen door de partij die aansprakelijk is voor het ongeval. Dit voorkomt procedures over de hoogte van het bedrag en langdurige en pijnlijke discussies over het leed. Door te variëren in categorieën en in de omvang van de vergoeding, wordt rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van nabestaanden en naasten.
 
Uit onderzoek blijkt dat naasten behoefte hebben aan aandacht voor de emotionele gevolgen van een ongeval. Ook vanuit de letselschadepraktijk is gepleit voor een regeling van affectieschade. Minister Dekker: ‘Daarom is deze wet ook zo belangrijk. Het verbetert de positie van naasten van slachtoffers. Het is goed dat er nu een regeling komt, zoals in veel andere Europese landen al het geval is.’
 
De nieuwe wet treedt op 1 januari 2019 in werking.

Opmerking redactie:
In het persbericht wordt letterlijk gesproken van "Alleen de partner van het slachtoffer, zijn kinderen en ouders komen in aanmerking voor een vergoeding van affectieschade." Dit kan de lezer echter op het verkeerde been zetten, aangezien er middels de hardheidsclausule uitzonderingen mogelijk zijn waardoor deze in het persbericht strikt omschreven kring van gerechtigden in de praktijk ruimer kan zijn. Volgens een toelichting op het persbericht door het ministerie aan SCHADE magazine heeft men met het persbericht beoogd de wet op hoofdlijnen uit te leggen.

De volgende toevoegingen geven weer hoe groot de kring van gerechtigden is:
De gerechtigden tot vergoeding van affectieschade betreffen de volgende personen (artikel 6: 107 lid 2 BW):
 
“2. De naasten, bedoeld in lid 1 onder b, zijn:
a. de ten tijde van de gebeurtenis niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot of geregistreerde partner van de gekwetste;
b. de levensgezel van de gekwetste, die ten tijde van de gebeurtenis duurzaam met deze een gemeenschappelijke huishouding voert;
c. degene die ten tijde van de gebeurtenis de ouder van de gekwetste is;
d. degene die ten tijde van de gebeurtenis het kind van de gekwetste is;
e. degene die ten tijde van de gebeurtenis duurzaam in gezinsverband de zorg voor de gekwetste heeft;
f. degene voor wie de gekwetste ten tijde van de gebeurtenis duurzaam in gezinsverband de zorg heeft;
g. een andere persoon die in een zodanige nauwe persoonlijke relatie tot de gekwetste staat, dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat hij voor de toepassing van lid 1 onder b als naaste wordt aangemerkt.”
 
Onderdeel g is meer open geformuleerd. De MvT zegt hierover het volgende (Tweede Kamer, vergaderjaar 2014–2015, 34 257, nr. 3 blz. 14, 15):
 
“In onderdeel g is een hardheidsclausule opgenomen die onder uitzonderlijke omstandigheden een recht op vergoeding van affectieschade toekent aan een persoon die niet tot de «vaste kring» van gerechtigden behoort. Voor affectieschade komt ingevolge dit onderdeel in aanmerking een persoon die ten tijde van de gebeurtenis in een zodanige nauwe persoonlijke betrekking tot de overledene staat, dat hij als naaste in de zin van derde lid wordt aangemerkt. In de consultatie is door DLR en het Verbond gevraagd om verduidelijking van het begrip «nauwe persoonlijke betrekking». Voor het aannemen van een nauwe persoonlijke betrekking dient een hechte affectieve relatie te worden aangetoond. Niet de formele maar de feitelijke verhouding is beslissend. De omstandigheden van het geval zijn bepalend. Factoren van belang zijn onder meer de intensiteit, de aard en de duur van de relatie. Hoewel het telkens gaat om aspecten van de relatie ten tijde van de gebeurtenis, kan, omdat hier niet de formele maar de feitelijke verhouding relevant is, bij ernstig en blijvend letsel ook betekenis worden toegekend aan de (te verwachten) bestendigheid van de relatie in de toekomst en de invloed die de gebeurtenis daarop heeft. Alleen bij een ook in de toekomst bestendige relatie leidt het letsel immers tot ook een ingrijpende ommezwaai in het leven van de naaste. Men denke aan relaties die spoedig na de schadeveroorzakende gebeurtenis beëindigd worden. Dit verklaart waarom anders dan in de andere onderdelen van dit lid, in onderdeel g de woorden »ten tijde van de gebeurtenis» ontbreken. Een voorbeeld van een nauwe persoonlijke betrekking kan zijn een relatie van broers of zussen die langdurig samenwonen en voor elkaar zorgen, of een langdurige, hechte LAT-relatie. Ook elders in de wet wordt het begrip nauwe, persoonlijke betrekking gehanteerd (vgl. artt. 1:204, derde lid, en artikel 1:377a BW). Voor de rechtspraktijk is dit een werkbaar begrip gebleken. Indien een beroep wordt gedaan op onderdeel g zijn anders dan bij de meeste andere onderdelen discussies over de invulling daarvan niet uit te sluiten. Onderdeel g dient echter te worden bezien in het kader van het spanningsveld tussen de wenselijkheid van een eenvoudig uitvoerbare regeling en een regeling die toch ook ruimte biedt om in sprekende gevallen naasten, die zich lastig laten vatten in specifiek te benoemen categorieën, voor vergoeding van affectieschade in aanmerking te laten komen.”
 
Zie verder nog de memorie van antwoord (Eerste Kamer, vergaderjaar 2016–2017, 34 257, C, blz. 6):
 
“De leden van de VVD-fractie vragen wat wordt verstaan onder een «nauwe persoonlijke relatie» (artikel 6:107 lid 2, onder g en artikel 6:108 lid 4, onder g, van het wetsvoorstel). Zij vragen of halfbroers en -zussen hiertoe bijvoorbeeld ook behoren. In voornoemde voorgestelde artikelonderdelen is kort gezegd opgenomen dat de persoon die in een nauwe persoonlijke relatie staat tot de gekwetste of de overleden persoon, gerechtigd is tot de vergoeding van affectieschade. Dit betreft een hardheidsclausule, waarop in uitzonderlijke gevallen een beroep kan worden gedaan. Voor het aannemen van een nauwe persoonlijke betrekking dient een hechte affectieve relatie te worden aangetoond. Niet de formele maar de feitelijke verhouding is beslissend. De omstandigheden van het geval zijn bepalend. Factoren van belang zijn onder meer de intensiteit, de aard en de duur van de relatie. Aan (half)broers of -zussen komt als zodanig geen beroep op de hardheidsclausule toe. In een bijzonder geval kan worden bezien of hun feitelijke relatie een beroep op de hardheidsclausule rechtvaardigt. Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn, indien twee (half)broers langdurig met elkaar samenleven en voor elkaar zorgen.” 
 
 
 
 
 
Jan Schrijver; bron gegevens Ministerie van Justitie en Veiligheid; bron foto Rijksoverheid
Geplaatst op 10-04-2018