Kwartaalrapportage Luchtvaart van Onderzoeksraad

De Onderzoeksraad voor Veiligheid heeft de Kwartaalrapportage Luchtvaart oktober - december 2017 gepubliceerd. In dit kwartaal werden vijf onderzoeken gestart. Tweemaal was er sprake van een (mogelijke) drone. Daarnaast worden in deze rapportage de resultaten van twee onderzoeken gepubliceerd uit het derde kwartaal van 2017, waaronder een ongeval met een luchtballon waarbij vier inzittenden gewond raakten.

Een nieuwe rubriek in de rapportage betreft de militaire luchtvaart, met in deze rapportage aandacht voor de Apache-helikopter die op 13 november de bliksemafleiderkabels van een hoogspanningsleiding raakte.

De ongevallen in het laatste kwartaal waarnaar een onderzoek is gestart zijn:
Het Boeing 747­400F vrachtvliegtuig (foto), dat op 11 november met vier inzittenden, vertrok omstreeks 22.30 uur vanaf Maastricht Aachen Airport met bestemming King Abdulaziz International Aiport in Saudi­Arabië. Nadat het vliegtuig aan het begin van baan 21 stond opgelijnd, selecteerde de gezagvoerder maximaal vermogen voor de start. Kort hierna trok het vliegtuig naar rechts. De bemanning brak met een snelheid van ongeveer 45 knopen de start af, maar was niet in staat het vliegtuig op de baan te houden. Het toestel kwam rechts van de baan in het gras tot stilstand. De inzittenden van het vliegtuig bleven ongedeerd. De Boeing 747­400F liep schade op aan de romp. 

De Cessna 172M, met registratie PH-KAC, voerde op 14 oktober een rondvlucht uit met aan boord de gezagvoerder en twee passagiers. Het zicht was meer dan 10 km. Rond 16.35 uur, vliegend op een hoogte van circa 700 voet in zuidelijke richting langs de IJssel in de nabijheid van de bebouwde kom van het dorp Wijhe, zag de gezagvoerder op een afstand van vijfig tot honderd meter een kleine witte Remotely Piloted Aircraft Systems (RPAS, drone) met vier rotors recht op zich af komen. De gezagvoerder zette onmiddellijk een daalvlucht in en ontweek daarmee de drone. Het hoogteverschil tijdens het passeren werd door de gezagvoerder geschat op twintig meter. Het vliegen met een drone is ter plaatse op deze hoogte niet toegestaan.

Er werd op 28 oktober met meerdere zweefvliegtuigen vanaf 12.00 uur op geringe hoogte langs de duinen tussen Noordwijk en Zandvoort gevlogen. Het vliegen op lage hoogte met zweefvliegtuigen is ter plaatse toegestaan in de periode van 15 oktober tot en met 14 mei op grond van artikel 4.5 van de Vrijstellingsregeling Besluit Luchtverkeer 2014.1 De minimum toegestane vlieghoogte is vijf meter boven het strand of de duinen. Om 16.01 uur, ongeveer drie km ten zuiden van Zandvoort vliegend op een hoogte van circa dertig meter, over de voet van de duinen in zuidelijke richting, werd de rechter winglet van de D­KLEP, een Antares 20E zweefvliegtuig, door iets geraakt. De bestuurder hoorde een harde klap, maar heeft niet gezien wat het zweefvliegtuig heeft geraakt. Daarop is hij langzamer gaan vliegen en heeft hij de besturing van het toestel gecontroleerd. Uit deze controle bleek dat alles nog naar behoren werkte. Kort daarna landde het zweefvliegtuig op zweefvliegveld Langeveld. Bij inspectie na de vlucht bleek dat er een scheur van ongeveer twintig centimeter in de rechter winglet zat. De randen van de scheur waren gekarteld, wat zou kunnen duiden op een aanraking door een propeller. Er waren geen bloed of veren te zien. Op basis van het schadepatroon is het niet onwaarschijnlijk dat een botsing met een drone heeft plaatsgevonden. Restanten van een drone zijn echter niet aangetroffen in de winglet.

Op 6 november omstreeks 13.00 uur waren de inzittenden van de PH-SVU, een Apex DR 400/140B bezig met het oefenen van landingen gevolgd door een doorstart (touch and go’s) op baan 25 van het Breda International Airport (Seppe). Aan boord waren een instructeur en een leerling die het vliegtuig bestuurde. Toen de PH-SVU op het rugwindbeen vloog (downwind), deed de instructeur de ‘downwindcall’ via de radio. De bemanning zag op dat moment dat een helikopter het circuitgebied van baan 25 naderde en toen de PH-SVU op het eindnaderingsbeen (final) vloog, zagen zij dat deze helikopter op downwind vloog. Daarna verloren zij de helikopter uit het oog. De PH-SVU maakte een landing op baan 25, en net toen de bestuurder weer vermogen wilde selecteren om een doorstart te maken, hoorde de bemanning het geluid van een helikopter vlak boven zich. Zij zagen vervolgens dat de helikopter op minder dan tien meter hoogte over de PH-SVU vloog en vlak voor hen op de tweede helft van de baan landde. De instructeur nam meteen de besturing over en remde hard om achter de helikopter te blijven. De helikopter bleef iets boven de baan vliegen en taxiede vervolgens naar het gebouw van de havendienst. De bemanning van de PH-SVU had geen radio-oproep van de helikopter gehoord.

Tijdens een lierstart op 18 november ontkoppelde de piloot de lierkabel op lage hoogte omdat de trekkracht van de lier wegviel. Daarna volgde een harde landing met schade aan romp en neuswiel tot gevolg. De piloot en zijn passagier bleven ongedeerd.
Uit het onderzoeksrapport van de betrokken zweefvliegclub blijkt dat de lier waarschijnlijk niet goed functioneerde, waardoor de trekkracht op de kabel, en daarmee het klimvermogen van het zweefvliegtuig, onvoldoende was. Dit probleem had zich al eerder voorgedaan. De zweefvliegclub heeft daarom interne aanbevelingen opgesteld over kennis en klachtenregistratie van de lier. Daarnaast wil de zweefvliegclub duidelijker stellen wie binnen de club de verantwoordelijkheid heeft voor het functioneren van de lier. Het uiteindelijke doel is daarmee de risico’s van de lierstart beter te beheersen. De aanbevolen maatregelen worden, aldus de zweefvliegclub, voor het seizoen 2018 uitgevoerd. Tot slot is er een aanbeveling die zich richt op het verbeteren van de vaardigheden van zweefvliegers middels training, mocht het klimvermogen tijdens de lierstart toch onvoldoende zijn.
Jan Schrijver; bron gegevens en foto Onderzoeksraad voor Veiligheid
Geplaatst op 17-04-2018