Uitzendkracht vordert loondoorbetaling en eist schadevergoeding voor bedrijfsongeval

Een uitzendkracht heeft een contract van bijna 6 maanden. Na ziekmelding tijdens de 1e 3 maanden van het contract hoort hij dat zijn inzet door inlener niet meer gewenst is. Aan het eind van het contract eist hij alsnog doorbetaling na zijn ziekmelding. Ook stelt hij het uitzendbureau aansprakelijk voor letselschade door een bedrijfsongeval (uitglijden), een ongeval waarvan het uitzendbureau zegt er niet mee bekend te zijn. De rechtbank wijst de vorderingen af. De ex-werknemer gaat in beroep.


Een uitzendkracht heeft een contract met een uitzendbureau voor bepaalde tijd, te weten van 13 mei 2014 tot 9 november 2014. Zijn bruto uurloon bedraagt 9,00 euro. Het betreft ongeschoolde arbeid. Op 5 augustus 2014 krijgt werknemer per brief te horen dat de inlenende partij heeft aangegeven bij het uitzendbureau dat van hem geen gebruik meer zal worden gemaakt. "We hebben van onze opdrachtgever te horen gekregen dat het werk voor u ophoudt per 4 augustus 2014. Dit is de reden dat uw contract beëindigd wordt. Op het moment hebben wij geen andere vacature voor u en zijn we genoodzaakt u te laten gaan", zo formuleert het uitzendbureau dit richting werknemer.

Op 8 november 2014 stuurt de werknemer een brief. "Op 30 juli 2014 heb ik mij ziek gemeld en helaas kan ik tot op heden nog niet werken. Sinds mijn ziekmelding heb ik geen loon meer van u ontvangen. Op 5 augustus 2014 heeft u mij een brief gestuurd waarin u aangaf dat er geen werk meer voor mij was en dat u mij daarom helaas moest laten gaan. Tijdens een telefoongesprek naar aanleiding van deze brief, gaf u aan mij ook geen salaris meer te hoeven betalen omdat u geen loondoorbetalingsverplichting heeft bij het wegvallen van werk. Na mijn ziekmelding heeft u echter iemand anders aangenomen om mijn werkzaamheden te verrichten. Naar mijn mening was dus helemaal geen sprake van wegvallen van werk en bent u mij dus wel degelijk loon verschuldigd tot het einde van mijn arbeidscontract op 9 november 2014. Op mijn arbeidsovereenkomst is de NBBU cao van toepassing. Volgens artikel 12 lid 4 en artikel 25 lid 1 onder b van de CAO heb ik tijdens ziekte recht op doorbetaling van 90% van mijn salaris."

Uiteindelijk komt voor de rechter de vordering van doorbetaling van salaris plus het verzoek voor recht te verklaren dat het uitzendbureau aansprakelijk is voor het genoemde bedrijfsongeval en de daaruit voortkomende schade. Deze vorderingen zijn afgewezen door de rechtbank (Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 9 december 2015). 

De ex-werknemer komt bij het Hof met een aantal grieven tegen het vonnis van de rechtbank. Deze grieven falen alle. Zo wordt onder meer gesteld door het hof: "Wanneer de uitzendkracht op verzoek van de inlener niet langer meer wordt ingezet in het bedrijf van de inlener eindigt de loonbetalingsverplichting. Voor zover aangenomen zou worden dat, zoals door appellant (ook) gesteld, de beëindiging van de inlening door [de opdrachtgever/inlener] plaatsvond omdat hij arbeidsongeschikt was geworden (als gevolg van het door hem gestelde bedrijfsongeval), vloeit daaruit, gelet op de aard van de uitzendovereenkomst, evenmin een loon(door-) betalingsverplichting voort. Er was immers, zoals blijkt uit artikel 3 van de arbeidsovereenkomst, geen (minimum) aantal arbeidsuren overeengekomen, anders gezegd, geen naar tijdruimte bepaald loon overeengekomen. Appellant werd betaald naar het daadwerkelijke aantal uren waarop hij gewerkt had. Daarmee voldeed de overeenkomst niet aan het vereiste in artikel 25 van de NBBU-cao voor loondoorbetaling bij ziekte, naar de kantonrechter met juistheid heeft vastgesteld  Waar de uitzendovereenkomst met ingang van 4 augustus 2014 werd beëindigd, bestond voor appellant ook geen aanspraak op loondoorbetaling bij ziekte ingevolge artikel 7:629 BW; het werknemerschap van appellant eindigde met onmiddellijke ingang en als uitzendkracht in fase 1 daarmee het recht op loondoorbetaling bij ziekte."

De ex-werknemer stelt dat hij op 28 juli een bedrijfsongeval heeft gehad (uitgegleden). Het uitzendbureau stelt echter dat hij op deze datum in het geheel niet heeft gewerkt. Om opheldering te krijgen was er op verzoek van de ex-werknemer een pleitzitting, waarop deze ex-werknemer echter afwezig was. Het hof geeft aan "onaangenaam verrast te zijn geweest door appellants afwezigheid, een afwezigheid in strijd met het bepaalde in artikel 4.3 van het procesreglement."

De medische informatie die is verstrekt is uiterst summier. "Er is slechts een uittreksel uit de huisartsenstatus overgelegd. Dit uittreksel roept bovendien eerder vragen op dan dat het de stelling van appellant dat hij blijvend zwaar rugletsel heeft opgelopen onderbouwt." Wat blijkt is dat eerst op 16 januari 2015 een eerste bezoek voor de rugklachten is gebracht aan de huisarts. Er wordt volstaan met het voorschrijven van pijnstillers voor de lage rugklachten van de ex-werknemer. "Bij de stand van zaken als hiervoor geschetst heeft appellant zijn stellingen onvoldoende onderbouwd. Enig letsel (als gevolg van een bedrijfsongeval) is niet geconcretiseerd en er is ook niet van gebleken. Dientengevolge geleden of te lijden schade is niet aannemelijk geworden. Bij gebreke van voldoende onderbouwde stellingen komt het hof aan bewijslevering niet toe."

Nu geen grief slaagt, overweegt het hof met betrekking tot de door het uitzendbureau gevraagde proceskostenveroordeling als volgt. Het uitzendbureau heeft gesteld dat appellant in strijd met de waarheidsplicht heeft gesteld dat er een bedrijfsongeval op 28 juli 2014 heeft plaatsgevonden. Zulks is onrechtmatig en het uitzendbureau maakt primair aanspraak op vergoeding van de werkelijke kosten, subsidiair op vergoeding van de kosten van beide instantiën.
 
In dit geding is, om tot een veroordeling in de werkelijke kosten te kunnen leiden, onvoldoende komen vast te staan dat appellant in strijd met de waarheidsplicht heeft gehandeld. Wel heeft appellant zijn stellingen onvoldoende onderbouwd, hetgeen iets anders is dan dat hij in strijd met de waarheidsplicht heeft gehandeld. Appellant wordt derhalve niet in de werkelijke kosten veroordeeld. Als de in het ongelijk te stellen partij wordt appellant veroordeeld in de kosten van beide instanties overeenkomstig het liquidatietarief.


 
Jan Schrijver; ECLI:NL:GHSHE:2018:822, Instantie Gerechtshof Den Bosch, datum uitspraak 27-02-2018, datum publicatie 02-03-2018, zaaknummer200.198.392_01, PIV Nieuwsbrief
Geplaatst op 14-03-2018