Is man die tennisbal zacht teruggooit aansprakelijk voor oogletsel schoonvader?

Een man kreeg in eigen tuin een tennisbal in zijn linkeroog. Diens hond speelde met de bal, die de tuin uitrolde. De schoonzoon van de man gooide de bal onderhands zachtjes terug de tuin in. De schoonvader kreeg last van het oog en werd geopereerd, hetgeen echter niet kon voorkomen dat de man aan dit oog blind werd. Het slachtoffer heeft de echtgenoot van zijn dochter aansprakelijk gesteld.

Een hond speelt in het najaar van 2013 in de tuin van zijn baas met een tennisbal. De bal rolt de tuin uit. De schoonzoon van de eigenaar van de hond staat op het punt van vertrekken en gooit terwijl hij weggaat bij zijn schoonouders de tennisbal over de afscheiding terug de tuin in. Dat doet hij onderhands en met een zachte worp. In de tuin stuit de bal en komt in het linker oog van de schoonvader. Die wordt enige tijd later geconfronteerd met een netvliesloslating. Hij wordt hiervoor in november 2013 geopereerd. De operatie heeft niet tot herstel geleid. In de jaren 2013 tot 2015 hebben nog enkele operaties aan het linkeroog plaatsgevonden. Inmiddels is de schoonvader vrijwel blind aan zijn linkeroog.

In 2016 stelt hij zijn schoonzoon aansprakelijk. Op 22 april meldt de aansprakelijk gestelde dit bij diens tussenpersoon, waar hij zijn AVP van Nationale-Nederlanden (NN) heeft lopen. NN heeft onderzoeksbureau Confid Assistence Agency verklaringen van beide partijen laten opnemen. De schoonzoon zegt onder meer: " Ik vertrok net en de tennisbal van de hond rolde het talud af en ik pakte het op en gooide het terug naar de hond. Of in ieder geval richting de tuin terug. Ik denk dat de hond ermee speelde en dat het daardoor kwam dat de bal wegrolde. Ik pakte de bal, draaide mij om en gooide de bal onderhands, dus niet eens hard, weer terug. De bal kwam terecht op de leuning van een tuinstoel, stuiterde op en kwam tegen het (meen ik) rechteroog van mijn schoonvader aan. Het was heel onschuldig. Ik ben gewoon weggegaan en er was verder ook niets aan de hand. (…) Mijn schoonvader heeft lang gedacht dat er een haartje in zijn oog zat, afkomstig van de bal, of een gesprongen adertje. (…) Ik geloof dat mijn schoonvader een keer naar de dokter is gegaan die hem druppeltjes gaf maar dat hielp niet. (…)”.

De schadelijdende partij verklaart onder meer: "In het najaar van 2013, volgens ons november, was mijn schoonzoon hier en die ging op een moment weg. De hond had de bal in de tuin en die rolde naar beneden. Mijn schoonzoon pakte de bal op, gooide deze terug in de tuin en stuiterde ergens op. Daardoor kwam de bal weer omhoog. Ik stond in de tuin en die bal stuiterde zo in mijn oog. Ik wilde de bal wel vangen maar die veranderde van richting, waarschijnlijk een draaiing meegekregen, het kan zijn dat de bal via mijn arm ging, zo tegen mijn oog aan. Ik zag wel even sterretjes ondanks dat het heel zachtjes ging, het was niet eens zo erg wat er gebeurde. Mijn schoonzoon zag het ook wel en zei sorry. Ik kreeg wel een zwarte vlek (…). De volgende dag echter zag ik het nog en groter. Ik ben hierop naar de huisarts gegaan die mij meteen doorverwees naar de oogkliniek in Hoofddorp (…). De oogarts daar heeft mij meteen doorverwezen naar de oogkliniek in Rotterdam (…). Daar hebben zij mij de volgende dag meteen geopereerd (…)."

Bij brief van 31 januari 2017 bericht NN dat het geen betalingen zal verrichten omdat verzoeker niet wil meewerken aan het onderzoek door geen medische machtiging te verstrekken.

In een deelgeschil verzoekt de schoonvader de rechtbank voor recht te verklaren dat zijn schoonzoon op grond van een door hem gepleegde onrechtmatige daad aansprakelijk is voor de gevolgen van het ogletsel en te bepalen dat de schoonzoon een voorschot op de immateriële schade zal hebben te voldoen van 10.000 euro en de kosten van rechtsbijstand van € 1.082,06 zal hebben te dragen alsook de kosten van deze procedure.

De rechtbank stelt bij de beoordeling van de vraag of sprake is van onrechtmatig handelen voorop dat in deze zaak als maatstaf dient te worden gehanteerd of verweerder met het gooien van de bal meer risico heeft genomen dan redelijkerwijs verantwoord was. Het gooien van de bal kan als onrechtmatig worden beschouwd als de mate van waarschijnlijkheid van een ongeval als gevolg van dit gedrag zo groot is dat verweerder zich naar maatstaven van zorgvuldigheid daarvan had moeten onthouden. In dit kader is van betekenis dat partijen op punten uiteenlopende verklaringen met betrekking tot de toedracht van het ongeval hebben afgelegd. Tussen partijen is blijkens de Confid-rapportage en de verklaringen ter zitting niet in geschil, en kan als vaststaand worden aangenomen, dat verweerder een (tennis)bal de tuin in heeft gegooid en dat die bal is gestuit (op enig voorwerp) waarna de bal tegen het oog van verzoeker is aangekomen.

Over de wijze van het gooien van de bal heeft verweerder verklaard dat hij de bal onderhands en zachtjes terug de tuin in heeft gegooid. Dit wordt op zich niet betwist door verzoeker. Gelet op de verklaring van verzoeker dat hij wel even sterretjes zag ondanks dat het heel zachtjes ging, kan ervanuit worden gegaan dat de bal zachtjes is gegooid. Immers, een bal die met kracht wordt gegooid kan, naar het oordeel van de rechtbank, ook na een stuitering, niet zachtjes tegen een oog aankomen. De waarschijnlijkheid van een ongeval als gevolg van het zacht terug een tuin in gooien van een daaruit afkomstige tennisbal is niet zo groot dat verweerder zich naar maatstaven van zorgvuldigheid had moeten onthouden van het op deze wijze teruggooien van de bal.

Bijkomende feiten en/of omstandigheden die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden zijn niet dan wel onvoldoende gesteld of gebleken. De mate van waarschijnlijkheid dat de bal als gevolg van de voorzichtige worp in het oog van schoonvader terecht zou komen was, ook als ervan zou worden uitgegaan dat verzoeker niet op het teruggooien van de bal bedacht was, niet zo groot dat verweerder meer risico heeft genomen dan redelijkerwijs verantwoord was. Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat op grond van de vaststaande feiten niet kan worden gezegd dat verweerder onrechtmatig heeft gehandeld.

De rechtbank is van oordeel dat het verzoek te bepalen dat de schoonzoon de buitengerechtelijke kosten (de kosten gemaakt tot de start van dit deelgeschil) en de kosten van dit deelgeschil dient te dragen niet voor toewijzing in aanmerking komt. De aansprakelijkheid aan de zijde van de schoonzoon is immers geen gegeven.
 
Dit is een beknopte samenvatting van de uitspraak die op 12 februari jl. is gepubliceerd; zie voor details de uitspraak.
Jan Schrijver; Rechtbank Noord-Holland, datum uitspraak 01-02-2018, datum publicatie 12-02-2018, zaaknummer C/15/259342 HA RK 17-88; ECLI:NL:RBNHO:2018:774; Nieuwsbrief PIV; bron foto Wikipedia https://creativecommons.org/licenses/by-sa/4.0/, Spyro92
Geplaatst op 21-02-2018