Hersenletsel baby; 'medische professionele standaard' niet geschonden

Bij de bevalling van een tweeling in het ziekenhuis, komt het eerste meisje gezond ter wereld, maar blijkt haar zusje hersenletsel opgelopen te hebben. De ouders stellen het ziekenhuis aansprakelijk. De verzekeraar van het ziekenhuis wijst aansprakelijkheid af. Uit rapporten blijkt dat de CTG-registratie te wensen over liet en dat er verbeterpunten genoteerd zijn. De op verzoek van beide partijen rapporterende arts meent desalniettemin dat de ‘medische professionele standaard’ niet is geschonden.


Een vrouw raakt medio 2006 na een IVF-behandeling zwanger van een tweeling. De zwangerschap verloopt zonder complicaties. Op 5 februari 2007 wordt de vrouw opgenomen in het ziekenhuis, omdat zij oververmoeid is. Zij is op dat moment 38 weken en drie dagen zwanger (een zwangerschap duurt gemiddeld 40 weken). Bij de vrouw wordt enkele dagen later de bevalling ingeleid door de dienstdoend gynaecoloog, Om 16.03 uur wordt het eerste kindje geboren, een meisje. Om 16.48 uur wordt het tweede kindje geboren na een vacuümextractie, eveneens een meisje. Zij komt blauw, slap, zonder ademhaling en met een hartslag van 55 slagen per minuut ter wereld. Zij wordt beademd en na ruim twintig minuten ademt zij zelf goed door. Enkele uren na de geboorte is bij het als tweede geboren kind sprake van strekken van de rechterarm en het rechterbeen, afhangen van de rechtermondhoek en een rare stand van de ogen. Drie dagen later, op 10 februari 2017, zijn er trekkingen met een starende blik. De baby wordt op die dag overgeplaatst naar de afdeling Neonatale Intensive Care van een Kinderziekenhuis. Uiteindelijk wordt hersenletsel geconstateerd, met als gevolg spasticiteit, verlamming, epilepsie en psychomotore retardatie.

De eisers
Bij brief van 5 januari 2012 hebben de ouders alle rechten voorbehouden en de verjaringstermijn gestuit. Per brief van 19 juli 2012 stellen de ouders het ziekenhuis aansprakelijk voor de schade door het hersenletsel wegens tekortkoming in de nakoming van de behandelingsovereenkomst. In een rapport van de medisch adviseur van eisers wordt geconcludeerd dat de foetale bewaking tekort is geschoten in die zin dat in plaats van de beoogde registratie van de hartfrequentie van het tweede kind hoogstwaarschijnlijk de hartfrequentie van de moeder is geregistreerd waardoor ten onrechte is aangenomen dat de toestand van het tweede kind tijdens de uitdrijving nog goed was. Dit voldoet niet aan de te stellen norm voor een redelijk bekwaam en redelijk handelend gynaecoloog onder de omstandigheden van een ziekenhuisbevalling in 2007, aldus het rapport.

Onderzoek op verzoek beide partijen
MediRisk, de aansprakelijkheidsverzekeraar van het ziekenhuis wijst de aansprakelijkheid af. Op verzoek van beide partijen wordt door arts C onderzoek naar de behandeling van de zwangere vrouw voor, tijdens en na de geboorte van het tweede kind gedaan en gerapporteerd. Enkele bevindingen hieruit.

Vanaf 14.52 uur vindt continue CTG-registratie plaats tot aan de geboorte van beide kinderen. De registratie van dit deel van het CTG laat te wensen over. Op verschillende tijdstippen ontbreekt de registratie van een van de kinderen en wordt af en toe een lagere hartfrequentie gezien, die mogelijk van de moeder is. Er is een elektronische registratie tot 15.22 uur. Tussen 15.22 uur en 15.34 uur ontbreekt de CTG-registratie in de documentatie. (…) Op de hierop volgende papieren strook CTG vanaf 15.34 uur zijn er twee registraties aanwezig. De kwaliteit is niet geweldig, er zijn veel technische storingen die duren tot 15.52 uur. (…) Vanaf de geboorte van kind 1 tot aan de geboorte van kind 2 is er weer sprake van een kwalitatief redelijk CTG maar af en toe met signaalverlies, die maximaal 1-2 minuten bedragen. (…) Het is gebruikelijk bij een dergelijke hoog-risico bevalling continue CTG-registratie toe te passen. Patiënte wordt niet direct aan het CTG gelegd als zij aangeeft dat ze persdrang heeft. Er wordt hierover ook niets in het medisch dossier opgemerkt. Overigens lijkt de statusvoering alleen van de hand van de verpleegkundige en/of klinisch verloskundige. Een baringsverslag door de gynaecoloog is niet aanwezig. Het ware, zeker in deze casus, goed geweest als er degelijke medische verslaglegging was gedaan.

In veel klinieken wordt bij de geboorte van een meerling tijdens de baring een echo-apparaat naast de patiënte geplaatst. Dit is de laatste jaren gebruikelijk geworden in de beroepsgroep, maar was in 2007 nog geen algemeen gebruik. (…) Na geboorte van het eerste kind is het CTG suboptimaal maar ook de kwaliteit van de registratie laat hier te wensen over maar is nog wel acceptabel. Ook nu zou het plaatsen van een schedelelektrode verbetering hebben gegeven. Ook had de polsfrequentie van de moeder kunnen worden geregistreerd om verwarring daarmee uit te sluiten. (…) Tijdens de uitdrijving van het tweede kind, is de gynaecoloog deels afwezig. De bevalling wordt in eerste instantie begeleid door de klinisch verloskundige. Ik weet niet waar de gynaecoloog zich op dat moment bevond, maar ik ga ervan uit dat dit dichtbij was. Op zich is het CTG op dat moment niet zo afwijkend dat de partus niet door de klinisch verloskundige kan worden begeleid, maar het is wel gebruikelijk dat de gynaecoloog directe supervisie heeft. De gynaecoloog moet gebeld worden, wat zou kunnen betekenen dat hij niet in de directe nabijheid van de verloskamer was. In 2007 bestonden geen wettelijke afspraken over de werkzaamheden van klinisch verloskundigen, maar in ieder geval bij hoog-risico partus zoals in deze casus zou een klinisch verloskundige niet zelfstandig een partus (baring) mogen begeleiden.

De rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat er onvoldoende aanwijzingen zijn om ervan uit te gaan dat de hartslag van eiser is geregistreerd in plaats van de hartslag van het tweede kind. Met het rapport van arts C komt de rechtbank tot de conclusie dat de kwaliteit van de CTG-registratie met enige regelmaat te wensen overliet en dat het baringsverslag wellicht ten onrechte niet naar de huisarts is gestuurd. Deze normschendingen zijn naar het oordeel van dit rapport kennelijk echter niet zodanig ernstig dat de arts C vindt dat de medische professionele standaard is geschonden. De rechtbank acht deze conclusie begrijpelijk en zal deze ook volgen. De overige verwijten van de eisers  zijn naar het oordeel van de rechtbank, in het licht van het verweer van gedaagde onvoldoende onderbouwd. Hieruit volgt de conclusie dat de gynaecoloog en de klinisch verloskundige bij hun werkzaamheden de zorg van goede hulpverleners in acht hebben genomen en de zorg hebben betracht die redelijk bekwaam en redelijk handelende vakgenoten in dezelfde omstandigheden zouden hebben betracht. Van een tekortkoming in de nakoming van de behandelingsovereenkomst of onrechtmatig handelen is dus geen sprake. Gelet hierop komt de rechtbank niet toe aan bespreking van de vraag of de hersenbeschading van het kind is ontstaan door zuurstoftekort (tijdens de bevalling), hetgeen volgens gedaagde niet vaststaat.

De eis van 50 duizend euro vanwege de materiële schade en voor het kind een voorschot van 25 duizend euro voor immateriële schade wordt afgewezen en eisers worden in de proceskosten veroordeeld. 

 
 
Bronnen: Rechtbank Midden-Nederland, uitspraak 16-8-2017, publicatie 4-9-2017, zaaknummer C/16/428832 / HA ZA 16-926, ECLI:NL:RBMNE:2017:4172; Stichting PIV
Geplaatst op 27-09-2017


Share on: