Kamervragen over 'verharding' bij letselschade

Michiel van Nispen, lid van de Tweede Kamer voor de SP, heeft vragen gesteld aan minister Stef Blok van Veiligheid en Justitie over de vermeende verharding van de opstelling van verzekeraars inzake letselschade.

"Wat is uw  reactie op het bericht dat verzekeraars steeds meer letselschadeclaims afwijzen en afwikkeling van dossiers traineren?", is de openingsvraag. Deze wordt door de minister niet echt beantwoord. Hij geeft het bestaan aan van de Gedragscode Behandeling Letselschade (GBL) en komt tot een weinig zeggend 'als' antwoord. "Als de afwikkeling van letselschadeclaims wordt getraineerd, is dit in strijd met de gedragscode en meer in het algemeen met het ethische uitgangspunt dat menselijk moet worden omgegaan met slachtoffers." Dat die gedragscode er is, wist Van Nispen uiteraard al. Veel van zijn vragen gaan er namelijk over, waarbij hij de GBL een 'tandeloze tijger' noemt, hem ingegeven door 'ondervraagde advocaten'. 

De minister vindt de GBL duidelijk géén tandeloze tijger. Hij schrijft onder meer: "Uit het jaarverslag van de Letselschaderaad over 2016 blijkt dat de GBL-bezoekaudits in 2016 met een positieve beoordeling zijn afgesloten. Uit het jaarverslag blijkt verder dat het algehele beeld is dat de partijen in de geest van de gedragscode werken. Slachtoffers worden tijdig geïnformeerd, en persoonlijk en respectvol bejegend. Daarnaast blijkt uit een diepteanalyse over de naleving van de gedragscode (november 2016) dat 91% van de schades binnen twee jaar wordt afgewikkeld. Een onafhankelijk instituut verricht deze analyse sinds 2010 in opdracht van het Verbond van Verzekeraars en het Personenschade Instituut van Verzekeraars." De minister noemt een groot aantal sancties op het naleven van de GBL. 

Op de gemiddelde doorlooptijd gaat de minister nader in: "Uit onderzoek blijkt dat discussies over aansprakelijkheid in 5% van de gevallen de reden is voor een langere afwikkeling dan twee jaar. Dat de afronding in andere gevallen lang duurt, heeft veelal te maken met het bepalen van de omvang van de schade. Het gaat dan om moeilijk vast te stellen schades, bijvoorbeeld schade bij jonge kinderen of hersenletsel. In die gevallen kan het beter zijn voor het slachtoffer om de zaak niet snel af te ronden, omdat de schade uiteindelijk anders blijkt te zijn." De minister geeft aan "geen meerwaarde in het wettelijk verankeren van gedragsnormen bij de afwikkeling van letselschade" te zien.  

Specifiek over een verzekeraar vraagt de SP-parlementariër: "Klopt het dat bij bijvoorbeeld Achmea het letselschadeslachtoffer via een schaderegelaar van deze verzekeraar met een commissie moet onderhandelen over zijn zaak, waardoor de behandeling onnodig wordt gefrustreerd? Wat is uw oordeel hierover?" De minister: "Navraag bij het Verbond van Verzekeraars leert dat individuele schaderegelaars in de praktijk handelen op basis van een mandaat van een verzekeraar ten behoeve van de afwikkeling van schades. Mocht dit mandaat bijvoorbeeld door onvoorziene omstandigheden niet toereikend zijn om een schade af te wikkelen, dan kan dit voor de schaderegelaar aanleiding zijn om intern bij de verzekeraar nader overleg te voeren. Het mandaat moet dan immers worden aangepast. Dit is de gebruikelijke werkwijze."
 
Bron: Ministerie van Veiligheid en Justitie, Directie Wetgeving en Juridische Zaken, sector Privaatrecht
Geplaatst op 01-06-2017


Share on: