Timmerman krijgt wanddeel op zich

De kantonrechter wijst in kort geding de vordering af van een timmerman, die door het omvallen van een wanddeel arbeidsongeschikt is geworden. Het (ver)plaatsen van deze ruim 300 kg zware wanddelen diende met meerdere personen te gebeuren, de timmerman probeerde het alleen. In hoeverre had het bouwbedrijf dat hem inschakelde hem daarvan op de hoogte gebracht?

Een als zzp'er werkende timmerman laat zich door tussenkomst van een uitzendbureau per uur verhuren aan een bouwbedrijf, dat in Den Bosch werkzaamheden verricht bij de bouw van 51 appartementen. Daarbij wordt met prefabwanden gewerkt van ruim 300 kilogram. Bij een ongeval op 19 juli 2016 loopt de timmerman letsel op en ontstaat arbeidsongeschiktheid. Hij stelt het inhurende bouwbedrijf aansprakelijk. ASR is de aansprakelijkheidsverzekeraar van het bouwbedrijf. De timmerman heeft geen arbeidsongeschiktheidsverzekering. In kort geding vraagt de timmerman, die een verbrijzelde enkel heeft en schouderletsel, om een voorschot van 25.000 euro. 

Boete van Inspectie SZW
Voor het veilig plaatsen van de 339 kg wegende wanddelen is het nodig dit met drie personen te doen. De timmerman, die al drie weken ervaring heeft opgedaan met dit project, probeert - nadat twee collega's uit zijn team van drie ergens anders mee bezig zijn op de bouw - in z'n eentje een wanddeel te verplaatsen, waarna hij het gevaarte op zich krijgt en het letsel oploopt. Hij zou de bestaande schriftelijke werkinstructie niet te lezen hebben gekregen, waarin staat dat het (ver)plaatsen van deze wanddelen altijd met meerdere personen dient te gebeuren. Naar aanleiding van het ongeval legt de Inspectie SZW een boete op aan het bouwbedrijf van bijna elfduizend euro. Andriessen Expertise neemt verklaringen af bij o.a. eiser en bij diens collega's. Een collega heeft verklaard dat hij kort voor het ongeval een uitdrukkelijke instructie mondeling aan ieder heeft gegeven om niet zelf met de wand aan de slag te gaan.

Tekortgeschoten in zorgplicht?
De kantonrechter stelt in de beoordeling dat eiser zijn vordering gebaseerd heeft op artikel 7:658 BW. Partijen lijken het erover eens dat het bedrijfsongeval niet het gevolg is geweest van opzet of bewuste roekeloosheid aan de zijde van eiser. Dit betekent dat in dit kort geding de vraag moet worden beantwoord in hoeverre aannemelijk is dat de rechter in een bodemprocedure zal oordelen dat de onderneming heeft aangetoond dat zij de in lid 1 van artikel 7:658 BW genoemde verplichtingen is nagekomen. Met het bepaalde in artikel 7:658 lid 1 BW wordt niet beoogd een absolute waarborg te scheppen voor de bescherming van de werknemer tegen het gevaar van arbeidsongevallen die neer zou komen op een risicoaansprakelijkheid voor de werkgever. De werkgever is aansprakelijk indien hij is tekortgeschoten in zijn zorgplicht schade te voorkomen. In dit geval is vooral van belang in hoeverre eiser zich bewust was of had moeten zijn van de risico’s van zijn handelingen die tot het vallen van de wand hebben geleid en in hoeverre van onderneming als de werkgever mocht worden verwacht dat deze veiligheidsinstructies aan eiser gaf ter voorkoming van het ongeval en of deze instructies ook daadwerkelijk zijn gegeven. De kort gedingprocedure biedt geen gelegenheid voor een diepgaand feitenonderzoek en voor het horen van getuigen. Aan de hand van de door beide partijen overgelegde verklaringen van eiser en zijn collega’s ten overstaan van de Arbeidsinspecteur en Andriessen Expertise en van hetgeen bij de behandeling ter zitting is besproken, is de kantonrechter echter door partijen wel in staat gesteld een voorlopig oordeel te geven omtrent het al dan niet voldoende naleven door onderneming van haar zorgplicht.

Schriftelijke werkinstructie
Eiser had de schriftelijke werkinstructie niet gelezen. "Het gaat natuurlijk niet alleen om geduldig papier, maar vooral ook om de uitvoering. Zonder de papieren werkelijkheid irrelevant te willen achten, kent de kantonrechter het meeste gewicht toe aan de vraag of onderneming ervoor zorg heeft gedragen dat eiser feitelijk kennis heeft gekregen van de werkinstructie. Het is vooral van belang of de boodschap op een voldoende duidelijke manier, dat kan mondeling zijn, bij de betrokken werknemer is doorgedrongen." Voorts: "Het is de kantonrechter duidelijk dat de lichamelijke en financiële situatie waarin eiser zich bevindt uitermate moeilijk is. De kantonrechter wil ook aannemen dat eiser met het in zijn eentje aanvangen van de werkzaamheden die tot het ongeval hebben geleid goede bedoelingen had, namelijk de voortgang van de werkzaamheden bevorderen. De centrale vraag in deze procedure is echter die naar de aansprakelijkheid van de onderneming. Gelet op bovenstaande overwegingen is de kantonrechter er onvoldoende van overtuigd dat eiser de door hem ten gevolge van het ongeval geleden schade zal kunnen verhalen op onderneming en haar verzekeraar ASR. Het door eiser gestelde vorderingsrecht op schadevergoeding blijft daarmee onvoldoende aannemelijk. Het restitutierisico is evident. Het door eiser gevorderde voorschot op schadevergoeding doorstaat de strenge toets die geldvorderingen in kort geding moeten ondergaan niet. De vordering van eiser moet in dit kort geding worden afgewezen."

 
Bron: Rechtbank Oost-Brabant, C/01/318536 / KG ZA 17-146, 20 april 201; PIV
Geplaatst op 10-05-2017