Hond van debiteur bijt incassomedewerkster; beroep op eigen schuld

Een vrouw wordt in haar arm gebeten door een hond. Pas nadat de eigenaar van de hond het dier met een mes verwondt, laat de hond de arm van de vrouw los. Zij loopt ernstig letsel op en raakt volledig arbeidsongeschikt. De rechtbank acht gedaagde aansprakelijk ex art 6:179 BW. Het verweer van gedaagde dat sprake is van eigen schuld van eiseres wordt verworpen. De man dient ruim 372 duizend euro aan de vrouw te betalen.  

De vrouw is sinds 2006 bij verschillende gerechtsdeurwaarders en incassobureaus werkzaam als medewerkster debiteurenbeheer. Op 4 oktober 2014 wordt zij in haar arm gebeten door een hond. Pas nadat de eigenaar van de hond het dier met een mes verwondt, laat de hond de arm van de vrouw los. Zij loopt hierdoor letsel op. Bij brief van 16 september 2015 heeft de verzekeringsarts aan de advocaat van de vrouw meegedeeld, dat: het merendeel van de bovenarmspieren  afgestorven bleek. De zenuwen van de onderarm waren wel intact. Op 14-10-2014 werden plastieken verricht met rug- en beenspieren om de bovenarm weer van spieren te voorzien. De beenspier (m. gracilis) stierf echter af en moest verwijderd worden. Een langdurig revalidatietraject wordt verwacht. 
Blijvend (ernstig) functieverlies (en krachtverlies) van de rechter bovenarm valt te verwachten, met forse beperkingen voor arbeid, huishoudelijke activiteiten en voor zover van toepassing voor sport. Het uiteindelijke resultaat valt nog niet in te schatten op basis van de ontvangen informatie. …” 
 
In de ‘Rapportage arbeidsdeskundige’ van 22 juli 2016, opgesteld door de arbeidsdeskundige van het UWV, wordt vastgesteld dat de vrouw volledig arbeidsongeschikt is. De revalidatie-arts constateert op 15 december 2016: "Patiënte ervaart beperkingen in haar algemeen dagelijks leven inclusief haar huishoudelijke taken door een beperkte mobiliteit en krachtsverlies van haar rechter arm. Zij ervaart problemen met bovenhandse handelingen, reiken en zwaar tillen." Ten aanzien van het functioneren:
"Communicatie: Patiënte heeft een beperkte arm/handfunctie rechts waardoor zij problemen ondervindt bij het schrijven en typen. Zij telefoneert met een headset. 
Mobiliteit : Autorijden in een automaat is mogelijk. Fietsen wordt beperkt doordat zij haar fietsstuur niet goed kan hanteren. Er is een beperkte arm/handfunctie rechts waardoor zij problemen ervaart met het tillen van zware voorwerpen en handelingen/reiken vooral boven haar hoofd. 
Zelfverzorging: Patiënte is ADL-zelfstandig. 
Dagbesteding: Door beperkingen in de arm/handfunctie als eerder beschreven is ze beperkt in het uitvoeren van (zwaar) huishoudelijke taken als stofzuigen, ramen wassen en het bed opmaken. Afstoffen doet ze met links. Daarnaast ervaart zij problemen bij het tillen van een boodschappentas, de planten verzorgen, koken (roeren met rechts, pannen afgieten e.d.) en het verwisselen van een vuilniszak. 
Psyche: Patiënte krijgt EMDR-therapie elders ter verwerking van het trauma. 
… zij is niet in staat om het huishouden volledig zelfstandig te doen.” 
 
De eigenaar van de hond is gedagvaard ter zake artikel 425, lid 2 en artikel 308 van het Wetboek van Strafrecht en op 9 januari 2017 door de politierechter te Rotterdam veroordeeld tot een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf. De politierechter heeft de vordering tot schadevergoeding van de vrouw tot een bedrag van € 44.302,43 toegewezen bij wijze van voorschot en de vordering voor het overige niet-ontvankelijk verklaard. De gedaagde is tegen dit vonnis in hoger beroep. 
 
De vrouw (eiseres) vordert – samengevat – de eigenaar van de hond (gedaagde) bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad te veroordelen tot betaling van € 390.348,00, vermeerderd met rente en kosten. Zij legt aan haar vordering ten grondslag dat de hond van gedaagde haar heeft gebeten, als gevolg waarvan zij schade heeft ondervonden. Gedaagde is ingevolge artikel 6:179 BW als eigenaar van de hond aansprakelijk voor deze schade.
 
Gedaagde voert verweer en betwist dat op hem enige aansprakelijkheid zou rusten. Gedaagde was niet bij machte de gedragingen van de hond ten tijde van het incident te controleren. Hij heeft zich, ter voorkoming van een incident, gepositioneerd voor de hond en eiseres gevraagd afstand te nemen. Nadat zij zijn waarschuwingen in de wind sloeg en met een brillenkoker een stap zette richting de hond, heeft de hond toegeslagen. Het is enkel vanwege de toenadering van de vrouw dat de hond op een dergelijke wijze heeft gereageerd. De schade is derhalve veroorzaakt door de handeling van de vrouw. Voorts voert hij aan dat niet inzichtelijk is gemaakt welk deel van de schade door de verzekeraar van eiseres is vergoed.
 
Uit artikel 6:179 BW volgt dat de bezitter van een dier aansprakelijk is voor de door het dier aangerichte schade. Dit is slechts anders, indien aansprakelijkheid op grond van de eerste afdeling van de derde titel van boek 6 BW zou hebben ontbroken indien de eigenaar van het dier de gedraging van het dier waardoor de schade werd toegebracht, in zijn macht zou hebben gehad. Dit is bijvoorbeeld het geval indien een hond een inbreker aanvalt en een beroep op noodweer zou slagen in de situatie dat sprake was van controle over het dier. Gedaagde heeft aangevoerd dat hij niet bij machte was om de gedragingen van de hond te controleren. Dit zijn geen feiten of omstandigheden op grond waarvan de aansprakelijkheid zou zijn uitgesloten. Gedaagde is dan aansprakelijk op grond van artikel 6:179 BW. 
 
Gedaagde voert aan dat de schade (mede) is veroorzaakt door de handeling van eiseres omdat zij met een brillenkoker een stap zette richting de hond in de woning. In zoverre hij hiermee bedoelt aan te voeren dat sprake is van eigen schuld in de zin van artikel 6:101 BW, gaat dit verweer niet op. Immers, zelfs indien deze gestelde gedraging van de vrouw zou komen vast te staan, wijkt deze niet af van het gedrag dat mensen in het algemeen in de nabijheid van honden kunnen vertonen en is dit geen omstandigheid op grond waarvan (een deel van) de schade aan haar kan worden toegerekend. 
 
Gelet op het voorgaande is gedaagde aansprakelijk voor de schade die zijn hond aan eiseres heeft toegebracht.
 
Gedaagde voert aan dat onduidelijk is welk deel van de schade door de verzekeraar van de vrouw is vergoed. Ter zitting heeft zij verklaard dat haar zorgverzekeraar de kosten van de medische behandelingen vergoedt. Deze kosten zijn door haar dan ook niet gevorderd. Tegen de door eiseres wel gevorderde schade was zij niet verzekerd. Bij gebrek aan verdere betwisting door gedaagde staat vast dat eiseres ter zake van de door haar gevorderde schade geen vergoeding van haar verzekeraar heeft ontvangen. De door eiseres opgevoerde schadeposten en gevorderde schadevergoeding worden door gedaagde niet betwist.
 
Eiseres vordert een bedrag van € 158.451,00 aan verlies aan arbeidsvermogen. Zij stelt daartoe dat zij laatstelijk werkzaam was bij een deurwaarderskantoor en door het bijtincident met ingang van 4 oktober 2014 arbeidsongeschikt is geworden. Haar theoretische verdiencapaciteit is door het UWV vastgesteld op € 3.509.00 per maand bruto, zo blijkt uit het rapport van de arbeidsdeskundige van de UWV. Afgezet tegen haar WAO‑uitkering van € 2.372,90 bruto bedraagt het netto verlies van arbeidsvermogen € 632,00 per maand. Inclusief vakantietoeslag en rekening houdende met een kapitalisatiefactor van 19,2857 en een pensioengerechtigde leeftijd van 71 jaar bedraagt het verlies van arbeidsvermogen € 158.451,00, aldus eiseres. Nu eiseres het verlies aan arbeidsvermogen voldoende aannemelijk heeft gemaakt, gedaagde de vordering in de conclusie van antwoord niet heeft betwist en hij ter comparitie niet is verschenen, zal de rechtbank de vordering op dit punt toewijzen. 
 
De gevorderde kosten huishoudelijke hulp (€ 144.642,00) en schade aan verlies zelfwerkzaamheid (€ 21.985,00) baseert eiseres op de richtlijnen van de Letselschaderaad. Nu deze vorderingen en de hoogte daarvan niet zijn betwist, zal de rechtbank de vorderingen op deze punten toewijzen.
 
Eiseres vordert een bedrag van € 57.795,00 aan smartengeld en verwijst daarbij naar een casus in de Smartengeldbundel 2015, nr. 177. Daarbij stelt zij dat sprake is van ontsieringen op haar lichaam als gevolg van het bijtincident en dat zij naast zwaar lichamelijk letsel tevens een meervoudig post traumatisch stress syndroom (PTSS) heeft opgelopen, waarvoor zij nog steeds intensieve psychologische behandeling ondergaat. 
Bij de begroting van nadeel dat niet uit vermogensschade bestaat heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding. De rechter dient hierbij rekening te houden met alle omstandigheden van het geval, zoals onder meer de aard van het letsel, de ernst van het letsel, de gevolgen van het letsel voor de benadeelde voor wat betreft de diverse aspecten van haar leven (werk, hobby, privéleven), de aard van de aansprakelijkheid, de mate van verwijtbaarheid van de aansprakelijke persoon en de in vergelijkbare situaties toegewezen bedragen. Met name gelet op deze laatste omstandigheid is de rechtbank van oordeel dat een bedrag van € 40.000,00 passend is, zodat de vordering tot dit bedrag zal worden toegewezen.
 
Aan bijkomende kosten (onder meer eigen bijdrage zorgverzekering, reiskosten en parkeergeld) vordert eiseres een bedrag van € 4.485,00 en aan daggeldvergoeding ziekenhuis een bedrag van € 2.990,00. Nu de vordering op deze punten niet is betwist zal de rechtbank de gevorderde bedragen toewijzen.
 
De rechtbank veroordeelt gedaagde om aan eiseres te betalen een bedrag van € 372.553,00 vermeerderd met de wettelijke rente en veroordeelt gedaagde in de proceskosten, aan de zijde van eiseres tot op heden begroot op € 6.804,20. De rechtbank verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.
 

 
Jan Schrijver; Rechtbank Rotterdam, datum uitspraak 27-09-2017, datum publicatie 29-09-2017, zaaknummer C/10/521778 / HA ZA 17-214; ECLI:NL:RBROT:2017:7453
Geplaatst op 11-10-2017