Culinaire medewerker breekt rugwervels, 'RIB-boot Herman' niet aansprakelijk

Een man loopt rugletsel op tijdens een vaartocht van Rotterdam naar Scheveningen met een zeer snelle rubberboot, een RIB-boot. In Scheveningen Haven dient de man met de ziekenauto te worden afgevoerd. Deze boot 'Herman' en de aansprakelijkheid van het bedrijf dat eigenaar van de boot is, zijn verzekerd bij Achmea. Voor de start van de vaartocht zijn instructies gegeven. Gedaagden wijzen aansprakelijkheid af. De rechtbank acht de vervoerder niet aansprakelijk.


Een toen 19-jarige medewerker van het Rotterdamse toprestaurant FG gaat 21 juli 2013 op een bedrijfsuitje met zijn werkgever. De restaurateurs gaan op die dag een boottocht maken met een supersnelle rubberboot, een zogenoemde RIB (Rigid Inflatable Boat), met de in Rotterdamse culinaire kringen aansprekende naam 'Herman'. De tocht voert van de Sint-Jobshaven te Rotterdam naar Scheveningen. Een zzp-er bestuurt de boot. Deze wordt vaker ingehuurd door het bedrijf dat eigenaar is van de boot, waarvan de directeur tijdens de boottocht ook meevoer naar Scheveningen. De activiteiten met de Herman-RIB vonden plaats onder de verantwoordelijkheid van het bedrijf dat eigenaar was van de boot (de Herman is op 17 januari 2014 ingeruild voor een nieuw exemplaar). Bij aankomst in Scheveningen bleek de 19-jarige man niet van zijn stoel af te kunnen komen. Hij is met een ambulance naar het ziekenhuis gebracht waar bleek dat zijn rug was gebroken, in die zin dat er verse inzakkingsfractuurtjes werden gezien van de 6e en 8e rugwervel. 

Bij brief van 26 mei 2014 heeft de man aan de directeur van het bedrijf dat eigenaar was van de Herman verzocht of hij aansprakelijkheid voor de gevolgen van het ongeval wilde erkennen. Door een arts (orthopedisch expert) van Medisch Expertisecentrum Dekkerswald, is op verzoek van eiser, met instemming van Achmea, een rapportage (d.d. 27 maart 2015) opgesteld naar aanleiding van het ongeval. Daarin lezen we onder meer dat om reden van lage rugklachten de dag na de boottocht impressiefractuurtjes (Th 8 en 6 ) werden vastgesteld na trauma-letsel rug op de speedboot. De orthopedisch expert schrijft: "Op grond van onderzoeksbevindingen zijn in belangrijke mate minder klachten en beperkingen te verwachten dan betrokkene aangeeft. Ook hier moet ik stellen dat de intensiteit van de klachten van betrokkene niet overeenkomt met hetgeen ik zou verwachten op grond van de slechts geringe posttraumatische vormafwijking. Op grond van de onderzoeksbevindingen kan ik uitsluitend stellen dat ik zou verwachten dat er niet meer dan een minimale beperking van de belastbaarheid door betrokkene zou worden aangegeven. In ieder geval kan ik niet meer dan een minimale beperking van de belastbaarheid adviseren op basis van slechts geringe vormafwijking."

Eiser verzoekt de rechtbank voor recht te verklaren dat de booteigenaar aansprakelijk is voor de gevolgen van het ongeval. Hij legt aan zijn vorderingen – naar de rechtbank begrijpt – het volgende ten grondslag. Hij heeft door de boottocht een inzakkingsfractuur van de rugwervels T6 en T8 opgelopen. Het is een feit van algemene bekendheid dat hiervoor aan aanzienlijke geweldsinwerking nodig is geweest. Booteigenaar heeft onrechtmatig gehandeld door eiser bloot te stellen aan deze geweldsinwerking zonder dat er voldoende beveiliging hiertegen was en zonder deze geweldsinwerking af te stemmen op de omstandigheden. Uit het feit dat eiser zijn rug heeft gebroken, vloeit voort dat er met het oog op de omstandigheden te hard is gevaren. Daarnaast geldt dat eiser door booteigenaar vooraf niet is gewaarschuwd voor geweldsinwerkingen van dien aard dat zij blijvend letsel zouden kunnen veroorzaken. Eiser heeft schade geleden als gevolg hiervan, omdat hij sindsdien niet heeft kunnen werken op eenzelfde manier, en met eenzelfde inkomen, als dat hij had kunnen werken als het ongeval niet had plaatsgevonden.
 
Door gedaagden wordt niet betwist dat direct na de boottocht met de 'Herman' in het ziekenhuis bleek dat de 19-jarige man verse inzakkingsfractuurtjes had. De rechtbank gaat er bij haar beoordeling, mede gelet op de rapportage van de orthopedisch expert dan ook vanuit dat dit letsel tijdens de boottocht op 21 juli 2013 is ontstaan. De vraag is vervolgens of de eigenaar van de 'Herman' voor de gestelde als gevolg hiervan door eiser geleden schade aansprakelijk is.

De gevolgde route naar Scheveningen staat voor de rechtbank niet vast, maar deze merkt op dat het juridisch niet uit zou hebben gemaakt of via uitsluitend binnenwater of ook over zee naar de haven is gevaren. Voorts merkt de rechtbank op, dat het niet uitmaakt of de 19-jarige wel of niet zelf met de vervoerder (de booteigenaar) een vervoerovereenkomst zou hebben gesloten. Ook zou voor de aansprakelijkheid de 'onrechtmatige daad' als grondslag kunnen dienen voor de eis, zij het dat volgens BW de vervoerder niet verder aansprakelijk is dan hij op grond van een vervoerovereenkomst zou zijn. 

Eiser dient voor een beroep op artikel 6:162 BW (onrechtmatige daad) onder meer te stellen (en zo nodig te bewijzen) dat de booteigenaar een onrechtmatige daad heeft gepleegd, die aan hem kan worden toegerekend omdat deze onrechtmatige daad te wijten is aan zijn schuld of aan een oorzaak die krachtens wet of in het verkeer geldende opvattingen voor zijn rekening komt. Naar de rechtbank begrijpt, maakt eiser de volgende twee verwijten: De booteigenaar heeft eiser blootgesteld aan een geweldsinwerking die tot rugletsel kon leiden zonder dat er voldoende beveiliging hiertegen was en zonder deze geweldsinwerking af te stemmen op de omstandigheden. Uit het feit dat eiser zijn rug heeft gebroken, vloeit voort dat er met het oog op de omstandigheden te hard is gevaren. Namens booteigenaar is eiser vooraf niet gewaarschuwd voor geweldsinwerkingen van dien aard dat zij blijvend letsel zouden kunnen veroorzaken.

De gedaagden voeren hierop verweer. Onder meer: "Eiser is geheel vrijwillig op de boot gestapt, terwijl het een feit van algemene bekendheid is dat het varen met een RIB een bepaald risico met zich meebrengt en terwijl de bestuurder namens de eigenaar vooraf heeft gewezen op de mogelijke risico’s. De “Herman” was een deugdelijke boot, die aan alle vereisten voldeed. Bij het ontwerp van een dergelijke boot wordt rekening gehouden met de veiligheid van passagiers en de boot is daarop ingericht. De RIB heeft niet te hard of onvoorzichtig gevaren. De boottocht verliep zonder problemen. Tijdens de boottocht hebben bestuurder en directeur van de booteigenaar toezicht gehouden op de aanwezigen van de boot en nauwlettend in de gaten gehouden of er mensen waren die het te hard vonden gaan, klachten hadden of zich niet goed voelden. Noch bestuurder noch directeur hebben tijdens de vaartocht iets gemerkt van het feit dat eiser een geweldsinwerking zou hebben ervaren. Noch eiser noch een van de andere passagiers hebben gedurende de boottocht iets laten blijken van mogelijke klachten." Er is ook een getuigeverklaring van een mede-passagier, die heeft onder meer verklaard dat er tijdens de boottocht geen gekke dingen zijn gebeurd, geen dingen die je niet zou verwachten tijdens een boottocht met een RIB.

De rechtbank constateert dat het verwijt van eiser er in wezen op neer komt dat het niet anders kan dan dat er te hard is gevaren dan wel dat er gebreken waren aan de boot omdat eiser rugletsel heeft overgehouden aan de boottocht. Hiermee kan eiser niet volstaan, vindt de rechtbank.  Het lag op de weg van eiser om concreet aan te geven op welke feiten en omstandigheden hij zijn stelling baseert dat er te hard is gevaren dan wel dat er gebreken aan de boot waren waardoor deze geweldsinwerking heeft kunnen plaatsvinden. In dit verband had het eiser kunnen helpen als hij, conform instructie, tijdens de vaartocht had aangegeven dat het te hard ging en had verzocht om zachter te varen. Weliswaar heeft eiser ter comparitie zijn stelling dat er te hard is gevaren iets geconcretiseerd (“De boot ging op enig moment best wel hard de golven in en kwam met een klap in het water"). Naar het idee van eiser ging de boot te hard de golf in. Eiser voelde toen rugpijn, maar hij verwachtte dat het wel weg zou trekken. Maar naar het oordeel van de rechtbank is dit nog altijd onvoldoende in het licht van de gemotiveerde betwisting van gedaagden. 

Voor toepassing van de omkeringsregel, zoals door de eiser bepleit, ziet de rechtbank geen aanleiding omdat er dan sprake zou moeten zijn van een normschending. Er is niet komen vast te staan dat er sprake is van een normschending. Evenmin kan er worden gesteld volgens de rechtbank dat er op de eigenaar van de boot eenzelfde zorgplicht zou rusten als op bijvoorbeeld een arts of een werkgever. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de namens de booteigenaar gegeven instructies voorafgaand aan de boottocht, zelfs als die beperkt waren tot hetgeen eiser daarover verklaart, toereikend geweest. Dat namens booteigenaar niet is gezegd dat je blijvend letsel aan de boottocht kon overhouden, doet hier niet aan af. Niet gesteld of gebleken is dat dit letsel is dat redelijkerwijs te verwachten is tijdens een boottocht op een RIB zodat van booteigenaar ook niet verwacht kan worden dat namens hem hiervoor werd gewaarschuwd. Eiser heeft bovendien niet gesteld dat als een dergelijke waarschuwing wel zou zijn gegeven, hij niet aan boord was gestapt. Dit lijkt ook niet aannemelijk nu hij, zoals hij zelf heeft verklaard, wel zin had in een beetje actie en daarom voorin de boot is gaan zitten waar hij, naar hij wist, hardere klappen zou krijgen te verduren dan achterin.

Het voorgaande in aanmerking nemende, is niet komen vast te staan dat booteigenaar onrechtmatig heeft gehandeld jegens eiser door hem voorafgaand aan de vaartocht niet mede te delen dat hij blijvend letsel kon overhouden aan de boottocht. Indien op dit punt al anders geoordeeld zou worden en het nalaten van deze mededeling als onrechtmatig zou worden aangemerkt, geldt dat niet is komen vast te staan dat eiser schade heeft geleden als gevolg van het ontbreken van deze mededeling nu niet is gesteld of gebleken dat eiser niet aan boord zou zijn gegaan als de betreffende mededeling wel was gedaan.
 
De vorderingen van eiser op de eigenaar van 'Herman' en op de verzekeraar ervan Achmea worden afgewezen. Eiser is in de proceskosten veroordeeld. 

 
Rechtbank Rotterdam, datum uitspraak 20-09-2017, datum publicatie 21-09-2017, Zaaknummer C/10/516188 / HA ZA 16-1363, ECLI:NL:RBROT:2017:7232; Stichting PIV; Jan Schrijver; bron foto: Quistnix/Photoalbum; onder de Creative Commons License; https://co
Geplaatst op 04-10-2017