Vrouw geeft geen voorrang, man op voorrangsweg rijdt te hard

Een vrouw rijdt op 22 januari 2014 in Utrecht vanaf de Westerdijk met haar Peugeot een voorrangsweg op, de Oudenoord, en wordt aangereden door een te hard rijdende man in een BMW. De man is verzekerd bij Achmea. De primaire eis van de door het ongeval volledig arbeidsongeschikt geraakte vrouw is dat Achmea voor 100% aansprakelijk is voor haar schade.

Subsidiair verzoekt zij om bepaling van de omvang van de aansprakelijkheid van Achmea als gevolg van dit ongeval. Daarnaast verzoekt zij om veroordeling van Achmea in de kosten van dit deelgeschil.

Zij legt het volgende aan het verzoek ten grondslag. "De te hoge snelheid van de BMW tijdens diens inhaalmanoeuvre op een onoverzichtelijke rijbaan heeft het ongeval veroorzaakt en daarnaast gezorgd voor fors letsel. Uit de toedrachtsbeschrijving blijkt dat verzoekster zich op het moment van de botsing al op de voorrangsweg bevond, terwijl zij de BMW bij het oprijden van de Oudenoord , vanaf de uitrit, niet heeft kunnen waarnemen. Zij heeft daarom geen voorrangsfout gemaakt. Voor zover daar wel sprake van zou zijn geweest, valt deze in het niet in vergelijking met de ernst van de verkeersovertreding van de bestuurder van de BMW. In ieder geval dient met toepassing van de billijkheidscorrectie de mate van eigen schuld, mede gezien de ernst van het letsel, tot 0 te worden gecorrigeerd."

De Oudenoord bestaat op de plek van het ongeval uit twee rijstroken met een verdrijvingsvlak versmallend naar één rijstrook. Zij is daarbij in de linkerflank aangereden door de BMW. Uit de verkeersongevalsanalyse die is verricht door de politie Midden-Nederland is gebleken dat de man harder reed dan de toegestane snelheid. De precieze snelheid is niet vastgesteld. Volgens twee getuigen zou die snelheid 80 km/u geweest zijn, maar volgens de man zelf reed hij zo’n 45 à 50 km/u. In de analyse is vermeld dat de snelheid van de BMW volgens het NFI tijdens de botsing 56 km/u was, maar uit de computersimulatie blijkt dat de auto waarschijnlijk 72 km/u reed. Daarnaast is gebleken dat de aangereden vrouw geen gordel droeg.

Door Meeuwissen Verkeers Ongevallen Analyse (MVOA) is op verzoek van de vrouw een ongevallenanalyse gemaakt. Daarin is onder meer het volgende vermeld: “Dit betekent aldus dat de botsing niet was gebeurd indien de BMW bestuurder daar met een snelheid van 50 km/h had gereden. Dit betekent ook dat de snelheid waarmee de BMW daar aan kwam rijden, gezien de plaatselijke omstandigheden, een rol heeft gespeeld in het hebben kunnen ontstaan van deze aanrijding.” Bovendien staat vast dat de man bij mondeling vonnis van 25 januari 2016 door de politierechter veroordeeld is voor overtreding van artikel 5 Wegenverkeerswet (WVW), gevaarlijk rijgedrag.

Achmea betwist o.m. de vermijdsbaarheidsanalyse van MVOA. Achmea stelt zich verder op het standpunt dat de vrouw niet aan haar verplichting tot het verlenen van voorrang heeft voldaan. Voor het vaststellen van de causale verdeling neemt Achmea het standpunt in dat deze 50-50 moet zijn, omdat beide bestuurders een fout hebben gemaakt. Er zijn wel gronden de billijkheidscorrectie toe te passen wegens de vergaande gevolgen van het ongeval voor de vrouw. Deze correctie leidt er volgens Achmea echter niet toe dat zij de schade volledig moet dragen. Er moet namelijk ook rekening mee worden gehouden dat de vrouw geen gordel droeg. Volgens Achmea moet een billijkheidscorrectie van 25% plaatsvinden en moet zij 75% van de schade vergoeden.

De kantonrechter stelt vast dat bepaalde feiten niet duidelijk zijn en partijen het daarom niet eens zijn over de vraag in welke mate de aan ieder toe te rekenen omstandigheden hebben bijgedragen aan de schade. Vaststaat in ieder geval dat de man te hard reed en dat hij geen rekening hield met de reële mogelijkheid dat verkeer de Oudenoord op zou rijden. Verder staat vast dat hij door de politierechter is veroordeeld wegens overtreding van artikel 5 WVW. Het is niet bekend op grond van welke bewezenverklaring de politierechter tot dit oordeel is gekomen, maar aangenomen mag worden dat er meer aan de hand was dan alleen te hard rijden. De vrouw heeft onvoldoende geanticipeerd op de mogelijkheid dat auto’s harder rijden dan is toegestaan en dus eerder ter plaatse zijn dan wanneer zij de maximumsnelheid wel in acht hadden genomen. Er is daarom sprake van een omstandigheid die aan de vrouw kan worden toegerekend en er sprake is van een gedeelte eigen schuld, hetgeen losstaat van het feit of er nu wel of geen voorrangsfout is gemaakt.

Niet gesteld of gebleken is dat het niet dragen van een gordel in dit geval heeft bijgedragen aan de schade. Tijdens de zitting heeft de dochter van de vrouw verklaard dat het niet dragen van de gordel de schade juist beperkt heeft. Door de klap van de botsing is haar moeder richting de passagiersstoel geschoven. Als zij op de bestuurdersstoel was blijven zitten, dan was de schade groter geweest. Dit standpunt, dat gelet op de foto’s niet onwaarschijnlijk voorkomt, is niet door Achmea weersproken. Het feit dat de vrouw geen gordel droeg, zal daarom niet meegewogen worden bij de bepaling van de wederzijdse causaliteit.

Bij weging van de gedragingen van de man enerzijds en die van vrouw anderzijds is de kantonrechter van oordeel dat de aanrijding voor het merendeel is te wijten aan de fout van de man. De kantonrechter is van oordeel dat de aan de man respectievelijk de vrouw toe te rekenen omstandigheden dienen te worden gesteld op 60% voor de man en 40% voor de vrouw. De kantonrechter vindt een billijkheidscorrectie naar 80% voor de man en 20% voor de vrouw gepast. Daarbij heeft hij met name acht geslagen op de ernst van het door de aanrijding ontstane letsel en de als gevolg daarvan nog steeds aanwezige klachten en beperkingen bij de vrouw op zowel lichamelijk als psychisch vlak. Ook wordt in aanmerking genomen dat de vrouw geen dienstbetrekking meer heeft en zij op dit moment geen betaalde arbeid verricht, als gevolg waarvan zij inkomensverlies lijdt.

De kantonrechter ziet in het bovenstaande aanleiding de verdeling van de schade bij te stellen tot 80-20%. Dit betekent dat het primaire verzoek niet toewijsbaar is, maar het subsidiaire verzoek als voormeld zal worden toegewezen. De kosten van dit (deel)geschil voor de vrouw worden begroot op 2678 euro. Achmea wordt voor 80% in deze kosten veroordeeld. 
Bronnen: Rechtbank Midden-Nederland, uitspraak 09-08-2017, publicatie 11-09-2017, Zaaknummer 5946625, ECLI:NL:RBMNE:2017:4058; Stichting PIV; Google Maps
Geplaatst op 20-09-2017