Paardenwagen passeert, remt hard en wordt achterop gereden

Een eigenares en bestuurster van een vrachtwagen van het merk MAN, bestemd voor paardentransport, passeert een DAF-vrachtwagen (verzekerd bij Achmea). De DAF botst vervolgens achterop de MAN. De vrouw stelt de eigenaar van de DAF aansprakelijk. Deze c.q. de verzekeraar wijst aansprakelijkheid af. Bestuurster van de paardenwagen is na het passeren bovenop de rem gaan staan.

Het ongeluk vond plaats op 25 februari 2015 circa één uur in de middag op de A67 ter hoogte van Asten. 

Volgens aansprakelijkstelling heeft de DAF-bestuurder verzuimd de snelheid dusdanig aan te passen dat hij het voertuig tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarop hij de weg kon overzien en deze vrij was. De bestuurder heeft daarmee het bepaalde in artikel 19 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV) geschonden ("De bestuurder moet in staat zijn zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kan overzien en waarover deze vrij is"). Bestuurster van de paardenwagen, mevrouw Van B., stelt schade te hebben geleden ten gevolge van de verkeersfout van de DAF-bestuurder. Van B. stelt de eigenaar van de DAF aansprakelijk. Het risico waartegen de norm van artikel 19 RVV beoogt te beschermen, te weten voorkoming van schade door aanrijding van achteren, heeft zich in het onderhavige geval immers verwezenlijkt. Daarmee staat vast dat Van B. schade heeft geleden ten gevolge van deze toerekenbare onrechtmatige daad van de eigenaar van de DAF en dat Achmea daarvoor aansprakelijk is op de voet van artikel 6 Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (WAM).

De aansprakelijkheidsstelling is aan Achmea verzonden. Deze erkent de aansprakelijkheid van haar verzekerde niet. Achmea heeft verweer gevoerd. Zij stelt dat haar verzekerde geen schuld heeft gehad aan de aanrijding en voert ter onderbouwing van die stelling het navolgende aan:
De bestuurder van de DAF reed op het moment dat de aanrijding plaatsvond al geruime tijd met een snelheid van ongeveer 80 km per uur. In verband met wegwerkzaamheden ter plaatse gold een inhaalverbod en een maximum snelheid van 80 km per uur. Desondanks heeft Van B. de DAF ingehaald. Nadat op de linker rijstrook voorbij was gereden, kwam de MAN-vrachtwagen naar rechts, maar nog voordat deze volledig was opgeschoven trapte de bestuurster vol op de rem, waarmee voor de DAF-bestuurder een bijzonder gevaarlijke situatie in het leven werd geroepen.  De DAF-bestuurder kon een botsing niet meer vermijden. 

De kantonrechter heeft mondeling tussenvonnis gewezen en Van B. in de gelegenheid gesteld feiten en omstandigheden te bewijzen waaruit kan worden afgeleid dat de DAF op 25 februari 2015 rond 13.00 uur op de A 67 ter hoogte van Asten artikel 19 RVV heeft geschonden door te verzuimen zijn snelheid dusdanig aan te passen dat hij zijn voertuig tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarop hij de weg kon overzien en deze vrij was en ten gevolge van dit verzuim een verkeersongeval heeft veroorzaakt, waarbij het voertuig van Van B. schade heeft opgelopen. Ter voldoening aan de bewijsopdracht heeft mevrouw Van. B. als getuigen doen horen zichzelf en haar zoon. In contra-enquête heeft Achmea als getuigen doen horen twee werknemers van de verzekerde: de bestuurder (de heer Van. W.) en zijn collega (de heer D.) die niet in de auto zat, maar die wel bij het invullen van het schadeformulier aanwezig was. Dit gebeurde namelijk een stuk verder dan het ongeval, bij een tankstation. 

De getuigeverklaring van de vrouw kan geen bewijs in haar voordeel opleveren, tenzij ze strekken ter aanvulling van onvolledig bewijs. Uit de verklaringen van de vrouw, haar zoon en de bestuurder van de DAF komt naar voren dat zij het erover eens waren dat er voldoende ruimte was om in te voegen. Zij zijn het echter niet eens over de gebeurtenissen na het invoegen. Van B. verklaart dat zij eerst zacht en daarna hard heeft geremd. Volgens haar zijn er 40 tot 50 seconden verstreken tussen het invoegen en de botsing. Haar zoon verklaart dat er 30 seconden zijn verstreken tussen het invoegen en het remmen en dat Van B. niet brusk heeft geremd. Volgens de DAF-bestuurder is door Van B. binnen 5 seconden na het invoegen hard geremd. Volgens de collega D. verschilden moeder en zoon na de aanrijding van mening over hoe lang er is doorgereden alvorens te remmen. Volgens Van D. heeft de moeder toen verklaard dat zij enkele meters hadden gereden alvorens te remmen en heeft haar zoon toen gezegd dat er enkele honderden meters was gereden. De kantonrechter is van oordeel dat de zoon als getuige over de gebeurtenissen na het invoegen geen geloofwaardige getuigenverklaring heeft afgelegd. Hij spreekt dan immers voor het eerst over seconden. Hij heeft er geen verklaring voor gegeven waarom hij eerder over meters heeft gesproken. (...) Aan de geloofwaardigheid van de getuigenverklaring van de zoon wordt verder afbreuk gedaan door een verklaring van hem over het naar beneden kijken door de DAF-bestuurder bij het passeren van diens voertuig. Daarmee kwam de zoon eerst in later stadium. "Het is niet geloofwaardig dat hij zich dat binnen een maand na de aanrijding niet herinnert en vele maanden later plotsklaps wel."

De kantonrechter gaat ervan uit dat het ongeval uiterlijk 5 seconden seconden na het invoegen heeft plaats gevonden. De beoordeling spitst zich vervolgens toe op de beantwoording van de vraag of de DAF-rijder na het invoegen door de paardenwagen voldoende afstand heeft gehouden tot het door Van B. bestuurde voertuig. Dat is immers in de kern de in artikel 19 RVV beschreven norm: Men dient voldoende afstand te bewaren tot een voorligger. De vraag is dan wat voldoende afstand is. Daar is geen van partijen op ingegaan. De kantonrechter raadpleegt twee websites. In beide berekeningswijzen komt het in het onderhavige geval neer op om en nabij veertig meter, ervan uitgaande dat de DAF ongeveer 80 km per uur reed.

Het verweer van Achmea komt erop neer dat de DAF te weinig tijd heeft gekregen van Van B. om die afstand in acht te nemen. Volgens Van B. is die tijd voldoende geweest. Volgens haar komt 5 seconden bij een snelheid van 80 km per uur neer op een afstand van 106 meter. Gedurende deze tijd en deze afstand had de DAF-bestuurder zijn snelheid kunnen en moeten aanpassen, aldus Van B. Zij heeft deze stelling niet nader toegelicht. De kantonrechter kan haar daar overigens op grond van navolgende overwegingen ook niet in volgen. 

Uit de getuigenverklaringen is niet af te leiden hoeveel ruimte Van B. aan de DAF na het invoegen heeft gelaten. Alleen Van B. heeft daarover verklaard. Volgens haar is dat voldoende geweest. Op basis van die verklaring, nog daargelaten dat het een partijverklaring betreft, kan echter niet worden aangenomen dat de DAF zoveel ruimte is gelaten dat hij een botsing kon voorkomen. Daarbij is het volgende in aanmerking genomen. Van B. kon in verband met een begrenzer niet harder rijden dan 90 km per uur. Het snelheidsverschil tussen haar voertuig en dat van de DAF bedroeg daarmee ongeveer 10 km per uur. Bij een dergelijk snelheidsverschil had Van B. om een “veilige” afstand van om en nabij veertig meter te creëren, nadat de achterzijde van haar voertuig gelijk was met de voorzijde van het voertuig van de DAF tenminste om en nabij 14 seconden op de linkerbaan moeten blijven alvorens in te voegen. Het is niet ondenkbaar dat Van B. in minder dan 14 seconden van baan is gewisseld. Uit het voorgaande volgt dat er in deze procedure niet vanuit kan worden gegaan dat Van B. aan de DAF voldoende ruimte heeft gelaten.

De conclusie luidt dat de bestuurster van de paardenwagen er niet in is geslaagd om bewijs te leveren van haar stelling dat de bestuurder van de DAF art. 19 RVV heeft geschonden door te verzuimen zijn snelheid dusdanig aan te passen dat hij zijn voertuig tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarop hij de weg kon overzien en deze vrij was en ten gevolge van dit verzuim een verkeersongeval heeft veroorzaakt. Haar vordering wordt dan ook als ongegrond afgewezen en zij wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van de procedure. 
Bronnen: Rechtbank Oost-Brabant, datum uitspraak 24 augustus 2017, ECLI:NL:RBOBR:2017:4508; Stichting PIV
Geplaatst op 13-09-2017