Autoverzekeraar vermoedt enscenering; claimant vaker betrokken bij aanrijdingen

Een Rotterdamse automobilist in een Mercedes had op 7 december 2012 een aanrijding met een hem tegemoet komende SEAT, waarvan de bestuurder verzekerd was bij de Goudse. Volgens de verzekeraar was er sprake van een geënsceneerd ongeluk. Als WAM-verzekeraar weigert de Goudse de ruim zevenduizend euro te betalen aan tegenpartij. De automobilist in de Mercedes kruiste in hoger beroep de degens met de verzekeraar. In dit hoger beroep stelde het Gerechtshof Den Haag de verzekeraar in het gelijk.


In een eerder tussenarrest had het hof de automobilist opgedragen de toedracht van de aanrijding te bewijzen. Het hof gaf aan het beoordelen van het bewijs mede in het licht te doen van omstandigheden ten aanzien van de claimende automobilist: in de periode augustus 2010 tot en met december 2012 was de automobilist ten minste acht keer betrokken bij een aanrijding, waarbij telkens de bestuurder van het andere voertuig de schuld van de aanrijding op zich nam, en heeft hij voorts drie inbraken in zijn auto geclaimd. 

De Mercedes-bestuurder heeft bovendien in eerste aanleg in strijd met de waarheid vermeld dat hij alle procedures tegen verzekeraars gewonnen heeft, getuige het door de Goudse bij memorie van antwoord overgelegde vonnis van de rechtbank Amsterdam van 30 november 2011. Uit dit vonnis volgt dat de rechtbank de stelling van de tegenpartij in die procedure (een verzekeraar) inhoudende dat sprake was van ten onrechte geclaimde diefstal- en aanrijdingsschade heeft gehonoreerd. Daarnaast heeft de Goudse een rapport van Dekra overgelegd dat is opgemaakt naar aanleiding van het onderhavige voorval, waaruit – kort samengevat – volgt dat het schadebeeld van de betrokken Seat en de auto van de tegenpartij erop duidt dat beide voertuigen elkaar rechtlijnig, zonder stuurbeweging, geraakt zullen hebben, hetgeen zeer opmerkelijk is omdat men bij een aanrijding/slippen gebruikelijkerwijs door middel van sturen tracht het voertuig onder controle te brengen.

Tegenover de hiervoor genoemde omstandigheden, die alle steun geven aan de verdenking dat het gaat om een geënsceneerd voorval, dienen aan de getuigenverklaringen van appellant (de Mercedes-bestuurder) en 'geïntimeerde 2' (de SEAT-bestuurder) hoge eisen gesteld te worden, waarbij voorts geldt dat de verklaring van appellant als partijgetuige slechts kan dienen ter aanvulling van onvolledig bewijs. Ten aanzien van de verklaring van geïntimeerde 2 geldt, dat deze op onderdelen tegenstrijdig is met zowel het schadeformulier, als de verklaring die hij eerder zelf tegenover Dekra aflegde, als de verklaring van appellant. In het bijzonder valt op dat geïntimeerde 2 verklaart dat het ten tijde van de aanrijding “bijna middag” was en nog licht, terwijl de aanrijding volgens het in het geding gebrachte schadeformulier heeft plaatsgevonden om 20:38 uur, dat wil zeggen (ruim) na zonsondergang. Daarnaast heeft geïntimeerde 2 tegenover Dekra verklaard dat hij als gevolg van het ongeval zijn spiegel moest vervangen, terwijl hij als getuige verklaarde dat er alleen “wat verf en een rubberstrip” van zijn auto af was. Ten overstaan van Dekra heeft geïntimeerde 2 verklaard dat hij probeerde te remmen, terwijl hij als getuige heeft verklaard dat hij niet heeft geremd maar heeft geprobeerd te sturen. De verklaring van geïntimeerde 2 bij Dekra sluit voorts – naar de Goudse terecht opmerkt – in zoverre niet aan op de getuigenverklaring van appellant, dat zij beiden verklaren vanaf de Piekbrug de Piekstraat te zijn ingereden, in welk geval het niet mogelijk is dat zij elkaar tegemoet zijn gereden. En zo meer.

Het hof concludeert dat appellant het hem opgedragen bewijs niet heeft geleverd, hetgeen betekent dat het vonnis van de kantonrechter zal worden bekrachtigd. Appellant zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de door de Goudse in hoger beroep gemaakte kosten.



 
Bronnen: Gerechtshof Den Haag Datum, uitspraak 29-08-2017, datum publicatie 01-09-2017, Zaaknummer 200.171.061/01, ECLI:NL:GHDHA:2017:2402; Stichting PIV
Geplaatst op 06-09-2017