Met lekke band op wisselstrook gestopt, uitgestapt en aangereden

Een automobilist heeft een lekke band op de snelweg in de buurt van Bergen op Zoom. Benadeelde heeft - in oktober 2011 in het donker in de ochtendspits - zijn auto vanwege de lekke band op de wisselrijstrook van de snelweg tot stilstand gebracht en is naar de achterkant van zijn auto gelopen om zijn gevarendriehoek te pakken. Hij wordt hierbij aangereden en loopt zwaar letsel op. Hij heeft de bestuurster die hem heeft aangereden aansprakelijk gesteld.


De wisselrijstrook, die ongeveer begint bij hectometerpaal 235,3, dient als uitvoegstrook voor verkeer dat afslaat in de richting van Roosendaal en vormt daarnaast de toerit tot de A58/A4 voor verkeer vanuit het centrum van Bergen op Zoom. Net na hectometerpaal 235.1 komt er naast de meergenoemde wisselrijstrook een uitvoegstrook bij voor verkeer dat afslaat in de richting Roosendaal. De wisselrijstrook ligt in het verlengde van een vluchtstrook. De doorgetrokken streep die de rijstroken van de A58/A4 van de vluchtstrook scheidt, gaat bij de wisselrijstrook over in witte blokken ter markering van de afscheiding tussen de wisselrijstrook en de andere rijstroken. Naast de wisselrijstrook ontbreekt ter plaatse van het ongeval een vluchtstrook. Naast de weg bevindt zich daar een vangrail, volgens het proces-verbaal van politie op circa 70 cm vanaf de witte streep aan de rechterkant van de wisselrijstrook. Iets verderop, waar de afrit naar Roosendaal twee rijstroken kent, is er wel weer een vluchtstrook naast de afrit. 

Verklaring bestuurster aan politie
Ten tijde van het ongeval was het druk op de weg. Het was nog donker. Er was ter plaatse geen straatverlichting aanwezig. Ter plaatse van het ongeval gold een maximumsnelheid van 120 km/uur. De bestuurster verklaarde aan de politie:
"Ik reed ter hoogte van de invoegstrook achter enkele vrachtwagens. Tussen mij en de laatste vrachtauto reed nog een personenauto. Ik schat in dat ik 90 tot 100 km/uur reed. Wij reden op de rechter rijstrook. Op het moment dat de invoegstrook overging in wisselstrook wilde ik naar rechts in gaan voegen. Net voordat ik dat deed zag ik dat voor mij een auto vanaf de linkerrijstrook voor mij of voor de voor mij rijdende auto langs naar rechts reed om naar de wisselstrook te gaan. Meteen daarna ben ik ook naar rechts gegaan gelijkertijd met de auto welke al voor mij reed. Ik kan moeilijk in tijd of afstand aangeven hoe lang of over welke afstand ik over de wisselstrook heb gereden, het zal maximaal 50 tot 100 meter zijn geweest. Ik zag toen dat de 2 voor mij rijdende auto’s opeens terug naar links reden, dus terug naar de rechterrijstrook van de A58. Ik zag toen plotseling een man op de rijbaan van de wisselstrook staan. Ik zag dat die man achter een klein zwart autootje stond, ik zag dat hij ongeveer links van het midden van de achterzijde stond. Ik zag dat de man donkergekleed was. Ik weet niet of ik dat zag omdat de auto mogelijk waarschuwingslichten aan had staan of door de verlichting van mijn auto. (…). Ik denk dat ik mogelijk al afgeremd heb toen ik die auto’s uit zag wijken maar of ik harder ben gaan afremmen toen ik die man zag staan weet ik niet want op het moment dat ik die man zag staan reed ik hem in feite al gelijk aan."

Eiser
Ten gevolge van de aanrijding heeft de automobilist met de lekke band - een man met de Belgische nationaliteit die in België woonachtig is - letsel opgelopen, waaronder ernstige fracturen van het bekken. Hij eist dat de bestuurster 100% aansprakelijk is. Eiser grondt zijn vordering op artikel 185 WVW. Hij stelt dat de bij ZLM verzekerde personenauto hem, als voetganger, heeft aangereden, als gevolg waarvan hij schade heeft geleden. Hij begroot die schade voorlopig op € 167.666,70, waartoe hij verwijst naar een door hem overgelegde schadestaat. 

Verweerder ZLM
ZLM voert hierop verweer. ZLM stelt dat het ongeval te wijten is aan overmacht. Daarnaast beroept ZLM zich op eigen schuld en stelt zij dat sprake is van aan opzet grenzende roekeloosheid van eiser. Voorts betwist zij de gestelde omvang van de schade.

Naar Nederlands recht
De benadeelde man heeft zoals gezegd de Belgische nationaliteit en woont in België. De rechtbank oordeelt bevoegd te zijn inzake dit geschil. Het Nederlands rechts is van toepassing. 

Overwegingen Rechtbank
Artikel 185 lid 1 WVW bepaalt voor zover hier van belang dat indien een motorrijtuig waarmee op de weg wordt gereden betrokken is bij een verkeersongeval waardoor schade wordt toegebracht aan niet door dat motorrijtuig vervoerde personen, de eigenaar van het motorrijtuig verplicht is om die schade te vergoeden, tenzij aannemelijk is dat het ongeval te wijten is aan overmacht. Het beroep op overmacht gaat slechts op als de eigenaar van het motorrijtuig aannemelijk maakt dat aan de bestuurder van het motorrijtuig ter zake van de wijze waarop hij aan het verkeer heeft deelgenomen, voor zover van belang voor de veroorzaking van het ongeval, rechtens geen enkel verwijt kan worden gemaakt. Daarbij zijn eventuele fouten van andere weggebruikers – daaronder begrepen het slachtoffer zelf – alleen van belang, indien zij voor de bestuurder van het motorrijtuig zo onwaarschijnlijk waren dat deze bij het bepalen van zijn verkeersgedrag met die mogelijkheid naar redelijkheid geen rekening behoefde te houden. 

Géén overmacht
Bestuurster verklaarde tegenover de politie ook “Voordat ik goed en wel had kunnen reageren op de manoeuvre van de automobilisten voor mij, doemde er ineens een man voor mijn auto op”. Daaruit volgt dat zij de man pas heeft waargenomen toen de vóór haar op de wisselrijstrook rijdende auto’s naar links waren uitgeweken en dat zij toen de auto van de man al zo kort was genaderd dat zij haar voertuig niet meer tijdig tot stilstand kon brengen. Ook ZLM zelf stelt dat er voor haar verzekerde pas zicht op de gevaarsituatie was toen de auto’s voor haar verzekerde naar links uitweken en dat zij de man aanreed op het moment dat zij hem zag. Dit brengt mee dat de bestuurster rechtens een verwijt te maken valt ter zake van het ontstaan van het ongeval. Zij had zodanige afstand tot haar voorgangers moeten bewaren dat zij haar auto vóór de auto van de man tot stilstand had kunnen brengen. De rechtbank verwerpt het beroep op overmacht. In beginsel is ZLM derhalve gehouden tot vergoeding van de schade die de man als gevolg van het ongeval lijdt.

Roekeloosheid
ZLM stelt dat het ongeval (volledig) te wijten is aan eiser doordat hij zijn auto tijdens een drukke ochtendspits in het donker op de wisselrijstrook heeft geparkeerd en, in plaats van over de vangrail te springen, achter die auto is gaan staan. Zij stelt verder dat de auto van eiser zwart was, dat eiser geen veiligheidshesje had aangedaan maar donkere kleding droeg en dat hij de alarmlichten van zijn auto niet had ontstoken. Ter onderbouwing van haar stelling dat sprake is van aan opzet grenzende roekeloosheid van eiser heeft ZLM naar voren gebracht dat eiser met verschillende verkeersborden gewezen is op de afslag naar Roosendaal, dat zich op de wisselrijstrook naar rechts wijzende pijlen bevinden en dat de afgrenzing van de wisselrijstrook en de andere rijstroken bestaat in witte blokken op het wegdek. Een oplettende bestuurder had volgens ZLM bovendien gezien dat er verkeer over de wisselrijstrook reed. Daarnaast wijst ZLM erop dat er twee auto’s zijn geweest die zijn uitgeweken voor de auto van eiser, voordat de aanrijding met bestuurster heeft plaatsgehad. Uit het een en ander moet voor eiser duidelijk zijn geweest dat hij zijn personenauto op een rijstrook van de snelweg had geparkeerd, aldus ZLM.

Billijkheidscorrectie 
De benadeelde heeft betwist dat sprake is van aan opzet grenzende bewuste roekeloosheid. Hij heeft onder meer aangevoerd dat hij meende dat hij zijn auto op een vluchtstrook had stilgezet. Hij betwist dat hij de alarmlichten van zijn auto niet had aangezet. Daarnaast beroept hij zich op de billijkheidscorrectie van artikel 6:101 lid 1 BW. Eiser stelt daartoe dat voor de door hem geleden schade geen dekking onder een door hemzelf afgesloten verzekering bestaat, terwijl bestuurster voor die schade verzekerd is. Een rechtvaardiging voor het toepassen van de billijkheidscorrectie kan volgens eiser voorts worden gevonden in de beperkte verwijtbaarheid van de verkeersfout van hem enerzijds en de ernst van de verkeersfouten van bestuurster anderzijds. Eiser wijst er voorts op dat hij ernstig letsel heeft opgelopen.
Artikel 6:101 lid 1 BW bepaalt dat wanneer de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend, de vergoedingsplicht verminderd wordt door de schade over de benadeelde en de vergoedingsplichtige te verdelen in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen, met dien verstande dat een andere verdeling plaatsvindt of de vergoedingsplicht geheel vervalt of in stand blijft, indien de billijkheid dit wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten of andere omstandigheden van het geval eist.

50% regel
De rechtbank haalt een arrest van de Hoge Raad van 30 maart 2007 aan, waarin wordt ingegaan op de 50% regel, waarvan voor het eerst sprake was in een arrest van de Hoge Raad in 1992 (28 februari).
Vervolgens oordeelt de rechtbank dat eiser in aanzienlijke mate heeft bijgedragen aan het gevaar voor het ontstaan van het ongeval doordat hij zijn auto, waarvan niet weersproken is dat die zwart was, tijdens een drukke ochtendspits in het donker op de genoemde wisselrijstrook tot stilstand heeft gebracht en hij vervolgens achter zijn auto is gaan staan. Deze fouten kunnen eiser worden toegerekend. Gelet op de door ZLM genoemde bebording en de markeringen op het wegdek had eiser zich moeten realiseren dat hij zijn auto op een rijstrook van de snelweg tot stilstand bracht en niet op een vluchtstrook. Niet weersproken is dat hij met de lekke band (langzaam) door kon rijden naar een plaats die meer veiligheid bood. 

Wisselrijstrook in verlengde vluchtstrook
Uit de door ZLM gestelde feiten en omstandigheden kan evenwel niet worden afgeleid dat eiser zich bewust was van het gevaar dat hij liep doordat hij zijn auto op een rijstrook van de snelweg had stilgezet en hij zich naar de achterkant van zijn auto had begeven. In dit verband is allereerst van belang dat, zoals de rechtbank hiervoor heeft vastgesteld, de wisselrijstrook in het verlengde ligt van de vluchtstrook, waardoor het eiser (in verband met de lekke band) kan zijn ontgaan dat die vluchtstrook was geëindigd en was overgegaan in een wisselrijstrook toen hij zijn auto stilzette. De aanwezigheid van een vangrail direct naast de wisselrijstrook – volgens de verklaring van eiser ter zitting heeft hij hieruit afgeleid dat hij zich op een vluchtstrook bevond – versterkt dan de gedachte dat men zich op een vluchtstrook bevindt. (...)  De conclusie is dat er geen sprake is van aan opzet grenzende bewuste roekeloosheid aan de zijde van eiser.

Niet méér dan 50%
"Nu eiser zelf een fout heeft gemaakt door zijn auto op een rijstrook van de snelweg stil te zetten en zich naar de achterkant van zijn auto te begeven, heeft hij volgens de hiervoor weergegeven 50%-regel, die gebaseerd is op de billijkheid, in ieder geval recht op vergoeding van 50% van de schade die hij als gevolg van het ongeval heeft geleden. Thans dient beoordeeld te worden of ZLM verplicht is om meer dan 50% van de schade van eiser te vergoeden", aldus de rechtbank, die vervolgens hierop oordeelt: "Naar het oordeel van de rechtbank is dit niet het geval. Door de hiervoor genoemde omstandigheden heeft eiser in vergelijking tot de aan bestuurster toe te rekenen omstandigheden (in feite: onvoldoende afstand houden) in overwegende mate bijgedragen aan het gevaar voor het ontstaan van het ongeval. De fout aan de zijde van eiser is in vergelijking tot de fout van bestuurster ernstiger en het verwijt dat hem treft in vergelijking tot het aan bestuurster te maken verwijt groter. De door eiser gestelde omstandigheden (niet verzekerd zijn van de schade en ernst letsel) nopen in het licht hiervan niet tot een aanpassing van de vergoedingsplicht volgens de 50%-regel. Daarbij oordeelt de rechtbank het mede van belang dat eiser zijn reguliere baan als chauffeur (tot op heden) heeft kunnen behouden. Naast de toepassing van de 50%-regel, eist de billijkheid niet dat ZLM meer dan 50% van de schade van eiser vergoedt. De gevorderde verklaring voor recht zal aldus worden toegewezen dat ZLM gehouden is om 50% van de door eiser als gevolg van het ongeval geleden en nog te lijden schade te vergoeden."

Vonnis
De rechtbank verklaart voor recht dat ZLM aansprakelijk is voor 50% van de door eiser ten gevolge van het ongeval op 17 oktober 2011 geleden en nog te lijden schade. ZLM dient bij wijze van voorschot een bedrag van 20.000 euro te betalen. Als grotendeels in het ongelijk gestelde partij wordt ZLM in de kosten van het geding veroordeeld. 
Bronnen: De Rechtspraak, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 31-5-2017, publicatie 13-6-2017, ECLI:NL:RBZWB:2017:3436, C/02/324743 / HA ZA 16-880; PIV
Geplaatst op 21-06-2017